![]() |
|
| FNWI University of Nijmegen | 7 August 2002, e-mail |
|
|
Het huidige Nederlandse landschap is een verzameling van landschapsfragmenten die in de loop van de geschiedenis zijn ontstaan. Het zijn cultuurlandschappen. Sporen van menselijke aanwezigheid en activiteit zijn alomtegenwoordig. In deze bijdrage wil ik de geschiedenis van het Nederlandse landschap presenteren als een morele geschiedenis. Dat wil zeggen, ik zal concrete landschappen of landschapsfragmenten opvatten als materialisaties van de visie op (of de morele attitude jegens) de natuur van degenen die dit landschap tot stand brachten. Concrete modificaties en correcties zal ik interpreteren als uitingen van morele kritiek aan het adres van vroegere generaties, als bijdragen aan een transgenerationele dialoog over de betekenis en morele status van de natuur. De matrix (ondergrond) van het Nederlandse landschap is de uitkomst van een langdurige strijd tussen de elementen: water, aarde en wind. Het Westelijke en Noordelijke (“holocene”) deel van Nederland zakt langzaam maar zeker. In de omgeving van Nijmegen is de pleistocene stuwwal nog duidelijk zichtbaar, maar naar het westen toe neemt de hoogte ervan (via Utrechtse heuvelrug en het Gooi) langzaam maar zeker af en ter hoogte van Amsterdam bevinden de toppen zich op ongeveer vijftien meter diepte. Lange tijd werd deze daling gecompenseerd door periodieke overstromingen, waarbij zee en rivieren sedimenten achterlieten, maar menselijke interventie verstoorde dit precaire, elementaire evenwicht. Sterker nog, door drooglegging van veengebieden werd dit proces van verzakking aanzienlijk versneld. Zonder actieve bemoeienis met het landschap (met name waterhuishouding) zouden grote gebieden van ons land niet of nauwelijks geschikt zijn voor menselijke bewoning. Ongeveer 23 eeuwen geleden kreeg de kustlijn zoals de Romeinen die aan het begin van de jaartelling in Nederland aantroffen, bestaande uit duinen die doorsneden werden door grote rivieren, min of meer gestalte. De Natuurlijke Historiën van Plinius bevatten een interessante beschouwing over het Nederlandse landschap omstreeks deze tijd. Aan het begin van een hoofdstuk over bomen voegt hij een passage toe waarin hij beschrijft dat er ook gebieden zijn waar helemaal geen bomen voorkomen. Het grauwe, desolate, kleurloze, weinig aanlokkelijke Nederlandse landschap overstroomde tweemaal per etmaal, aldus Plinius. Voor de Romeinse bezoekers was het onduidelijk of zij met zee of met land te maken hadden. Wanneer het water steeg trokken de deerniswekkende bewoners zich terug op kunstmatige heuveltjes (terpen) waar ze hun verkleumde lichamen warmden aan turfvuurtjes. Natuur was destijds physis. De morele attitude van de bewoners jegens de natuur in deze hoedanigheid laat zich (vanwege het vrijwel ontbreken van geschreven bronnen) moeilijk reconstrueren, maar was vermoedelijk een mengeling van gelatenheid en ontzag. Het bouwen van terpen was een passieve vorm van zeewering. De impact op het landschap, op de eigen dynamiek van de natuur, was uiterst gering. Na 800 treedt langzaam maar zeker een verandering in. Men begint dijkjes te bouwen, kleine polders aan te leggen en veengebieden te ontwateren. Er ontwikkelt zich een meer actieve houding jegens de natuur. Gedurende de eeuwen die volgen wordt de uitgestrekte wildernis, de veengebieden die een groot deel van Nederland aanvankelijk bedekken, in cultuur gebracht. Het is vermoedelijk geen toeval dat omstreeks 800 nog een andere, min of meer gelijktijdige verandering optreedt, maar dan op ideologisch niveau, namelijk de kerstening van Nederland. De christen beschouwt zichzelf als een rentmeester van God. Het is zijn opgave om de verwilderde natuur in ere te herstellen en weer een menselijk aanzien te geven. Kloosters en kloosterorden speelden in het in cultuur brengen van het Nederlandse landschap een cruciale rol. Een uitgestrekte, diffuse, nauwelijks bewoonbare woestenij werd vermenselijkt. Het christendom verschafte de aansporing, de legitimatie voor een meer actieve aanwezigheid van de mens in het Nederlandse landschap. De dijk bracht een demarcatie aan tussen de gekerstende en de niet gekerstende wereld. Het Rentmeester-model deed zijn intrede. Dit nieuwe beleid, waarvoor het Christendom de ideologische inspiratie verschafte, had echter dramatische gevolgen. Het evenwicht tussen land en water raakte verstoord. Door drooglegging en ontwatering werd het hierboven al beschreven proces van verzakking dramatisch versneld. Daar kwam bij dat aan het einde van de middeleeuwen de zeespiegel weer wat begon te stijgen. Een en ander resulteerde in een reeks catastrofale overstromingen die het landschap drastisch veranderden. In deze periode ontstonden onder meer de Zuiderzee, de Biesbosch en het Verdronken Land van Saeftinge. De traditionele technieken die men gebruikte voor afwatering en zeewering voldeden niet langer. Er was behoefte aan meer drastische ingrepen in het landschap, en aan een meer radicale ideologie. In 1408 werd voor het eerst een windmolen gebruikt om landbouwgrond droog te malen. Tijdens de Gouden (zeventiende) Eeuw werd deze nieuwe techniek belangrijk verbeterd en op grote schaal ingezet. Gedurende deze periode werden grote polderwerken (zoals de drooglegging van de Beemster, de Purmer, de Wormer en de Schermer) ter hand genomen. De zeventiende eeuw was ook een bloeitijd op wetenschappelijk gebied. De wiskundige Simon Stevin (1548 - 1670) bijvoorbeeld paste zijn wetenschappelijke kennis en technieken toe op problemen die verband hielden met waterhuishouding en zijn zoon Hendrik ontwierp een plan voor de drooglegging van de Zuiderzee. De meest vermaarde drooglegger was Jan Adriaanszoon Leeghwater (een pseudoniem) die in 1641 een plan ontvouwde voor de drooglegging van de Haarlemmermeer, een van de binnenwateren die door menselijk toedoen ten oosten van de duinen waren ontstaan. Hij omschreef dit meer als schadelijk en gevaarlijk, als een wolf die vruchtbaar landbouwgebied wegvrat. Deze intensivering van het activisme op het gebied van waterbeheersing ging gepaard met een (min of meer gelijktijdige) transformatie op het ideologische vlak: de opkomst van het protestantisme, juist in die gebieden waar men dijken, sluizen en polders bouwde. In zijn studie over de Protestantse ethiek heeft Max Weber al gewezen op het feit dat de protestant zichzelf beschouwt als een self made man die, in een vijandige natuurlijke omgeving, een wereld sticht van eigen makelij. De mens moet niet op de natuur, maar enkel en alleen op God vertrouwen. Kreaturvergötterung wordt afgewezen. Calvinisten en andere radicale christenen leiden een arbeidzaam leven en de Calvinistische ethiek schrijft voor dat de opbrengst van deze arbeid niet aan luxe gespendeerd mag worden, maar weer geïnvesteerd moet worden. Deze combinatie van ijver en investeringsdrang maakt dat inpolderingsprojecten een belangrijke en aantrekkelijke economische functie gaan vervullen. Tijdens deze periode zijn de twee iconen of symbolen ontstaan die het Nederlandse landschap nog altijd representeren en zich in ons collectieve onderbewuste hebben genesteld: de windmolen en de tulp. De tulp werd in 1571 door de botanicus Carolus Clusius uit Turkije geïmporteerd. Plantkunde begon juist op dat moment een experimentele wetenschap te worden. Mondeling overgedragen ervaringskennis maakte plaats voor schriftelijke verslaglegging en systematisch onderzoek. Clusius plantte de eerste tulpenbollen in de hortus botanicus te Leiden. De Nederlandse bodemgesteldheid leende zich uitstekend voor het kweken van tulpen en het voortbrengen van nieuwe variëteiten, zoals de befaamde Semper Augustus. De tulp bleek een zeer plastische bloem en de kenner was in staat steeds weer nieuwe variëteiten op de markt te brengen. Een en ander resulteerde uiteindelijk in een ware “windhandel”. Vermaarde variëteiten gingen voor spectaculaire prijzen van hand tot hand totdat de handel instortte, met alle gevolgen voor de betrokkenen van dien. Ook op stillevens uit die tijd speelde de tulp een hoofdrol. Alexander Dumas heeft een van zijn romans aan deze geschiedenis gewijd: De zwarte tulp (1850). De tulp, als artificiële plant, was bij uitstek geschikt om als symbool te functioneren voor een kunstmatig landschap. Het polderland werd door de windmolen geschapen en door de tulp gedecoreerd. De molen symboliseerde de zes dagen van arbeid, de tulp stond model voor de zondag van het bestaan. De morele attitude jegens de natuur waarmee deze ontwikkeling gepaard ging laat zich verhelderen aan de hand van een belangrijk onderscheid dat de filosoof Immanuel Kant in een van zijn geschriften introduceerde, namelijk het onderscheid tussen “das Schöne” (het schone) en “das Erhabene” (het sublieme of verhevene). De natuur, aldus Kant, kan op twee manieren mooi zijn, kan in twee gedaantes onze waardering oproepen, namelijk als het schone en als het verhevene. Een volwassen eik is verheven, een bloem is schoon. Een berglandschap is verheven, een tuin is schoon. De term “erhaben” verwijst naar een bepaalde gestalte van natuur, namelijk de natuur als het wilde, ontoombare, onmetelijke, overweldigende - de natuur zoals vooral romantici die ontdekten en apprecieerden. Jean-Jacques Rousseau was de eerste die, in zijn beschrijving van het landschap rond Lac du Bienne, de term "romantisch" introduceerde. Het schone daarentegen is de welgevormde, fijn gekleurde natuur. De schoonheid van de verheven of sublieme natuur werd in de achttiende eeuw door de romantici ontdekt. De Calvinisten daarentegen die het Nederlandse polderlandschap tot stand brachten hadden er, letterlijk, nog geen oog voor. Zij waren juist gecharmeerd door een andere gestalte van natuur, namelijk natuur als het schone, een verschijningswijze van de natuur die bij uitstek geëxemplificeerd werd door de tulp, een bloem die bij wijze van spreken aan het paradijs herinnerde. In stillevens en agrarische landschappen idealiseerden de Nederlanders het landschap dat de ze zelf gemaakt hadden, aldus de filosoof Hegel. De achttiende en negentiende eeuw leveren een complex beeld op. Enerzijds wordt de strijd tegen het water opgevoerd. In de Franse Tijd vormen centralisatie en professionalisatie belangrijke ontwikkelingen. De metafoor van het water als een wolf die zich op het land stort, wordt regelmatig aangehaald. In 1852 wordt de Haarlemmermeer drooggelegd, met behulp van stoommachines in plaats van windmolens. De calculerende, activistische attitude jegens de natuur wordt verder geïntensiveerd. In 1891 presenteert Cornelis Lely zijn plan voor de afsluiting en gedeeltelijke inpoldering van de Zuiderzee. In 1919 gaat dit project van start. Sigmund Freud, die in 1920 Nederland bezoekt, is onder de indruk. In een publikatie uit 1932 omschrijft hij het oogmerk van een psychoanalytische behandeling met de woorden: Wo Es war soll Ich werden. Het diffuse, instabiele onbewuste moet plaats maken voor een discrete, stabiele persoonlijkheidsstructuur. Hij vergelijkt een analyse met de Trockenlegung van de Zuiderzee. In beide gevallen gaat het om Kulturarbeit. Zowel in psychisch als in landschappelijk opzicht moeten diffuse gebieden meer en meer plaats maken voor zorgvuldig gestructureerde landschappen. Oftewel, oernatuur wordt boerennatuur. Anderzijds wordt (door romantici) de indrukwekkende schoonheid van de natuur juist in haar desolate hoedanigheid herontdekt en gerehabiliteerd. Het schilderij Het Moeras van Anton Mauve uit 1885 mag hiervoor als voorbeeld dienen. In 1888 publiceerde de Duitse romanschrijver Theodor Storm een boek over het Duitse Waddengebied: Der Schimmelreiter. Het handelt over de strijd tussen de desolate, overweldigende kustnatuur enerzijds en de wiskundige technieken die kustbewoners inzetten om zich tegen haar te beschermen anderzijds. De fascinatie voor de verhevenheid van de desolate, heidense kunstnatuur is in zijn roman nadrukkelijk aanwezig. In Nederland schreef Jac Thijsse niet alleen een mooi boekje over de flora en fauna van het Naardermeer, hij wist ook plannen om dit natuurgebied als stortplaats in gebruik te nemen te verhinderen. Het werd de eerste aankoop van de Stichting tot Behoud van Natuurmonumenten (1905). Een belangrijke gebeurtenis in de geschiedenis van het Nederlandse landschap was de Watersnoodramp (1953), niet alleen vanwege de ramp zelf, die aan 1835 mensen het leven kostte, maar ook vanwege het Deltaplan dat er het directe gevolg van was. In 1958 werd besloten de kunstnatuur in het Zuidwesten van Nederland rigoureus te transformeren. Dynamische ecosystemen moesten plaats maken voor een gecultiveerd, gepacificeerd landschap. Aanvankelijk was de steun voor dit gedachtegoed vrijwel unaniem. De kans op een herhaling van de Watersnoodramp moest tot 0 gereduceerd worden. Water en land, zoet en zout water werden gescheiden. Het bewegende water kwam tot stilstand. Men wilde het volstrekte tegendeel bewerkstelligen van het landschap zoals dat aan het begin van onze jaartelling door Plinius en diens tijdgenoten hier werd aangetroffen. Gaandeweg werden de dramatische ecologische gevolgen van dit megaproject duidelijk. Er werden belangrijke correcties aangebracht. De voornaamste correctie bestond in de bouw van de Oosterscheldedam, die de verbinding met open zee en daarmee de dynamiek van getijden in een uniek ecosysteem zoveel mogelijk intact liet. Op dit moment bestaan er vergelijkbare plannen met het Veerse Meer. Ook de transformatie van Zuiderzee tot Ijsselmeer is niet geheel volgens plan verlopen. In de eerste plaats werd besloten de Waddenzee intact te laten, maar dat niet alleen. In een betrekkelijk diep gedeelte van de nieuwe Flevopolder, dat aanvankelijk een industriële bestemming had, onstond onbedoeld een natuurgebied: de Oostvaardersplassen, een klassiek voorbeeld van wat we tegenwoordig “nieuwe natuur” noemen, een modelproject, een paradigma voor de toekomst. Sindsdien is het alsof we Freuds befaamde maxime hebben omgekeerd: Wo Ich war soll Es werden. Polders worden natuurgebieden, rivieren krijgen meer ruimte, boerennatuur verandert in een landschap waarvan we hopen dat het de oernatuur van destijds (het begin van onze jaartelling) zoveel mogelijk zal benaderen. Aquafobie heeft plaats gemaakt voor biofilie. In de duinen bij Schoorl werd een kerf aangebracht. Een aantal malen per jaar stroomt de zee weer binnen. Het resultaat is een dynamisch duingebied waar zeldzame planten, zoals de Parnassia, weer een kans krijgen. De Parnassia, door Victor Westhoff onze mooiste wilde plant genoemd, als anti-tulp. Het concept "nieuwe natuur" is interessant in dit verband. Het drukt een radicale verandering van grondhouding uit in vergelijking met de voorafgaande perioden. Het drukt waardering uit voor de verheven oernatuur en kritiek aan het adres van de natuurvisie van de Gouden Eeuw en van de moderne ingenieurs. Maar wat betekent "natuur" in dit verband? Wij scheppen de condities en nodigen de natuur (als physis) uit zich opnieuw te manifesteren. Het resultaat is in feite een dialoog tussen menselijke initiatieven en natuurlijke processen. Critici vragen zich echter af of het landschap dat aldus gestalte krijgt niet eenvoudigweg een afspiegeling zal zijn van de esthetische voorkeuren van de huidige generatie bewoners. Oftewel: nieuwe natuur als tuinieren op grote schaal. A. Dumas (1993) The black
tulip [ed. D. Coward]. Oxford/New York: Oxford University Press.
Prof. dr H.A.E. Zwart (1960)
is hoogleraar Filosofie aan de Faculteit der Natuurwetenschappen, Wiskunde
en Informatie, KUN.
|