Wetenschap en literaire verbeelding
Hub Zwart

I. Inleiding en verantwoording

1.1. Wetenschapsfilosofie en verbeelding

Als er iets is wat filosofen goed kunnen, aldus de Franse wetenschapsfilosoof Gaston Bachelard, dan is dat lezen (1948, p. 6). Filosofie is lectuur: de kunst van het (langzame) lezen. Elders schrijft hij dat filosofen teksten tweemaal lezen. De eerste maal zoals de tekst gelezen wil worden. De aandacht gaat dan uit naar het onderwerp dat aan de orde is. Tijdens de tweede lectuur verschuift de aandacht van onderwerp naar auteur, van object naar subject. De interesse gaat nu uit naar de denkstijl, de methode, het perspectief, het wereldbeeld van de auteur. Meer dan in zijn onderwerp is de filosoof in de auteur zelf geïnteresseerd. Anders gezegd, het moment van competentie breekt voor de wetenschapsfilosoof aan wanneer wetenschap tekst wordt.

Wat een filosofische lectuur van wetenschappelijke teksten aan het licht brengt, is dat deze teksten onder tamelijk uitzonderlijke omstandigheden tot stand komen. Wetenschappelijke teksten, aldus Bachelard (1938/1947), zijn het gevolg van ascese, van rigoureuze zelfdisciplinering. De wetenschapper neemt de werkelijkheid niet met het blote oog waar, niet zoals zij zich uit eigen beweging aan ons voordoet. In tegendeel, wetenschappers ontwikkelen instrumenten en trekken zich in laboratoria terug. Waarnemen wordt meten, onder “onnatuurlijke”, door de onderzoeker zelf gecontroleerde en gemanipuleerde condities. De organen van de wetenschapper zijn als het ware selfmade. De wetenschappelijke blik sluit de ogen voor de overdaad aan betekenis die in onze werkelijkheid aanwezig is, om zo ongestoord mogelijk de aandacht te kunnen vestigen op een beperkt aantal variabelen. Het object van de wetenschapper is geen natuurlijk fenomeen, maar een laboratorium-artefact, zoals Röntgenstraling of de Wistar-rat. De wetenschapper ontwerpt een situatie, verandert het voorwerp van onderzoek stelselmatig en neemt uiteindelijk de effecten van zijn of haar eigen handelen waar.

Literaire teksten daarentegen zijn het resultaat van een meer alledaagse manier van kijken naar en omgaan met de werkelijkheid. Ondanks de technieken die literaire auteurs ontwikkelen en hanteren, blijft hun stijl van kijken en spreken toch een onmiskenbare affiniteit met de alledaagse ervaring behouden. Dit artikel handelt over een bijzondere categorie van literaire teksten, namelijk literaire teksten die de wetenschap tot onderwerp hebben. In dergelijke teksten wordt het onderscheid tussen wetenschappelijke en alledaagse manieren van kijken en denken zichtbaar, worden gedachten en gevoelens, angsten en verwachtingen, opvattingen en fantasieën met betrekking tot wetenschap verwoord die voor niet-wetenschappelijke lezers herkenbaar en invoelbaar zijn. De betrokken auteurs zijn als het ware de woordvoerders van de buitenwacht, van de buitenstaanders, van degenen die zelf weinig of geen ervaring hebben met laboratory life. Literaire teksten over wetenschap zijn om minstens twee redenen interessant. In de eerste plaats omdat ze ons iets kunnen vertellen over wetenschap "van binnenuit", als fenomeen, als concrete historische en culturele praktijk. In de tweede plaats omdat ze ons iets kunnen leren over het beeld dat de buitenwacht, de niet-wetenschappers van wetenschap hebben. De betrokken teksten maken (bedoeld of onbedoeld) de afstand zichtbaar tussen wetenschappelijke praktijk en culturele omgeving. Zij vestigen de aandacht op bepaalde aspecten van het fenomeen wetenschap zelf, maar demonstreren tegelijkertijd de mate van affiniteit of vervreemding die tussen wetenschap en buitenwereld bestaat.
 

1.2. Archetypen en typische reacties

In de alledaagse ervaring, en in de literaire teksten die deze ervaring verwoorden,  speelt de verbeelding volgens Bachelard (1938/1947), een cruciale rol. De gangbare filosofie van de verbeelding, aldus Bachelard, stelt dat waarneming aan verbeelding vooraf gaat. Volgens deze visie speelt de verbeelding een spel met het materiaal dat het bewustzijn via de zintuiglijke ervaring bereikt. Bachelard echter kent aan de verbeelding een meer fundamentele rol toe: zij gaat aan de waarneming vooraf, zij bepaalt in hoge mate hoe wij de werkelijkheid waarnemen, brengt structuur aan in de chaos aan impressies, indrukken of visuele gewaarwordingen die zich aan ons opdringt. Dit vinden we terug in het buitenstaandersperspectief op wetenschap zoals dat door literaire teksten wordt verwoord. Typische fantasieën met betrekking tot wetenschap maken het mogelijk de (spaarzame) berichten uit het laboratorium die tot de buitenwereld doordringen van een bepaalde betekenis te voorzien en in een bepaald perspectief te plaatsen. Deze fantasieën, deze beelden liggen ten grondslag aan de angsten of verwachtingen die het publiek (en zijn woordvoerder: de literaire auteur) ten aanzien van wetenschap koestert.

Om deze typische fantasieën ten aanzien van wetenschap nader te bestuderen doet Bachelard een beroep op het begrip "archetype" dat hij ontleent aan de geschriften van Carl Gustav Jung. In zijn studies over literaire verbeelding vestigt Bachelard de aandacht op stereotypische verwachtingen: de archetypen die de publieke perceptie van wetenschappelijke ontwikkelingen structureren. De term archetype verwijst dan naar datgene wat het grote publiek in de betreffende tak van wetenschap zowel fascineert als verontrust. Voor de scheikunde is dat bijvoorbeeld het archetype van de ontploffing. Buitenstaanders geloven, aldus Bachelard, dat scheikundigen vroeg of laat een gigantische ontploffing zullen veroorzaken (al kan het ook de langzame, in eerste instantie nauwelijks waarneembare ontploffing genaamd milieuvervuiling zijn). Het archetype van de biologie is het monster, enerzijds het “monster” van de paleontologie (zoals de dinosaurus) of van de diepzeezoölogie (zoals de octopus), anderzijds het kleine (misschien zelfs microscopisch kleine) monster, het laboratorium-artefact dat vroeg of laat uit het laboratorium (en aan de controle van de onderzoeker) zal ontsnappen om in de buitenwereld onherstelbare schade aan te richten. Het archetype van de geologie is de labyrint-achtige mijn, het archetype van de wiskunde is het astronomische getal, het archetype van de archeologie is de gigantische schat of de verdwenen stad, het archetype van de filosofie is de immense bibliotheek waarin bezoekers hopeloos verdwalen totdat zij op een gegeven moment door brand volledig wordt verwoest. Waar het de wetenschapper zelf betreft kennen we het archetype van de verstrooide professor of van het miskende (en daarom zeer gevaarlijke) genie. Typische angstgedachten in verband met de informatica zijn de plotselinge crash van complexe netwerken of systemen waarvan wij volledig afhankelijk zijn geworden, of het beeld van Big Brother die onze elektronische communicatie aan een permanente screening onderwerpt en ons vroeg of laat zal arresteren of ontkoppelen. Elke wetenschappelijke discipline heeft in beginsel haar eigen archetype.
 

1.3. Typologie

In literaire teksten over wetenschap treffen we niet alleen bepaalde archetypen aan, maar het is ook mogelijk een typologie van literaire teksten op te stellen aan de hand van de grondhoudingen, de basale attitudes jegens wetenschap die in de betreffende teksten naar voren komen. We kunnen minstens drie grondhoudingen onderscheiden: hilariteit (lachen om wetenschap), angst en enthousiasme.

Er bestaat, om te beginnen, een zeer lange traditie van literaire teksten waarin om wetenschap en wetenschappers wordt gelachen. Tot 1800 is dit zelfs de dominante attitude jegens wetenschap. Omstreeks 1800 verandert dit. Hilariteit maakt dan plaats voor enthousiasme of angst. Twee klassiekers, namelijk Faust (1808) en Frankenstein (1818) markeren de omslag van hilariteit naar angst, terwijl het werk van Jules Verne de grondhouding van het enthousiasme exemplificeert. Een andere grondhouding, die van de sympathie, heeft betrekking op het archetypische beeld van de progressieve wetenschappelijke held (van het type Galileï) die in zijn werk ernstig gehinderd wordt door pleitbezorgers van politieke belangen en ideologische vooroordelen.

Een archetype is een complex dat verschillende componenten bevat. Enerzijds is er het typische beeld (imago, Gestalt), zoals het beeld van het monster of van het miskende genie. Anderzijds is er de bijbehorende typische reactie, de typische respons (bijvoorbeeld: hilariteit, angst of sympathie). Deze twee componenten horen bij elkaar. Zonder de angstreactie is het monster van Frankenstein geen monster. De angst wordt niet alleen opgeroepen door het monster, de angst zoekt het monster ook. Beeld en reactie zijn geassocieerd. De reactie treedt quasi-automatisch op, als een reflex. De blik van het publiek of van de lezer wordt getrokken door het fascinerende beeld dat een betrekkelijk voorspelbare respons oproept. Een ander kenmerk van het archetype is dat het opvallend duurzaam is. Eenmaal ontdekt, stimuleert het latere auteurs tot navolging, tot Wiederholen und Durcharbeiten. Het wordt een literair cliché.

Tot slot is ook de historische context van belang. Om antieke wetenschap werd op een andere manier (en om andere redenen) gelachen dan om middeleeuwse wetenschap. Literaire teksten over de wetenschappelijke scholen uit de antieke tijd ( van 500 vóór tot 500 na Christus) beschrijven een heel ander fenomeen dan de literaire teksten over de traditionele universiteit (1200-1800) of over moderne wetenschappelijke onderzoekspraktijken (vanaf 1650).
 

1.4. Scholen, universiteiten en laboratoria

De typische organisatievorm van wetenschap gedurende de antieke periode was de school. Wetenschappers groepeerden zich rond een gezaghebbende leraar of participeerden in een (door een befaamde of zelfs mythische) leraar geïnitieerde traditie. De wetenschapper was (en bleef) een volgeling, een discipel. Wetenschappelijke ontdekkingen van leerlingen of latere volgelingen werden niet zelden aan de leraar toegeschreven. De afstand tussen wetenschap en buitenwereld was  groot. De school was geen massabeweging, maar een elitaire organisatievorm. Wetenschap was een zaak van ingewijden, en kennis was geen publiek bezit. Toetreding tot een school ging met selectieprocedures en initiatieriten gepaard. De betrokken wetenschappers beoefenden in de regel twee genres: een wetenschappelijk genre, bedoeld voor ingewijden, en een populariserend genre, bedoeld voor buitenstaanders. Pythagoras bijvoorbeeld gaf twee soorten colleges: een college voor ingewijden en een college voor buitenstaanders en Socrates discussieerde met leerlingen op een andere wijze dan met leken. Plato en Aristoteles schreven twee soorten teksten: wetenschappelijke en populaire. Hun populaire teksten ("Dialogen") waren stijlvol, geestig en literair, ze werden met plezier geschreven en gelezen. Hun wetenschappelijke teksten daarentegen waren systematisch en complex. Het lezen ervan vergde geduld, ijver en voorkennis. Het toeval wil dat van Plato de literaire, van Aristoteles de wetenschappelijke output bewaard bleef. Een ander kenmerk van de school als organisatievorm was de (vaak hevige) onderlinge concurrentiestrijd (vooral waar het het rekrutering van studenten van rijke komaf betrof). Tussen de Academici (volgelingen van Plato) en de Cynici (volgelingen van Diogenes), tussen Stoïcijnen en Epicureërs en tussen Socrates en (andere) sofisten speelde zich een hevige schoolstrijd af.

Een ander grondtype van wetenschapsorganisatie, namelijk de universiteit, dateert uit de middeleeuwen. De grote diversiteit aan antieke scholen contrasteert maximaal met de hoge mate van uniformiteit die kenmerkend was voor de middeleeuwse universiteit. De verschillende universiteiten beantwoordden in grote lijnen aan hetzelfde grondpatroon. Dit maakte het voor studenten en docenten betrekkelijk gemakkelijk van universiteit te wisselen. De voertaal was Latijn en wetenschap werd principieel opgevat als lectuur. Een universitaire opleiding bestond in het leren lezen van gezaghebbende teksten, met name van Aristoteles. De afstand tussen de kwesties waarmee wetenschappers zich onledig hielden en de praktische vraagstukken van alledag waarmee de buitenwereld (de wereld der "ongeletterden") te maken had, was bijzonder groot. De universiteit was wereldvreemd. Taal, terminologie en strikte regulering van onderwijs en debat hielden de buitenwacht op afstand. Wie geneeskunde studeerde, las Aristoteles, Hippocrates en Galenus, in scholastiek Latijn. Anatomische lessen vormden, voor zover ze al deel uitmaakten van het curriculum, de plaatjes bij het boek. Daar waar de anatomische data afweken van de tekst, had de tekst het laatste woord.

Deze universiteit bleef tot diep in de moderne tijd bestaan. De wetenschappelijke revolutie die bij Copernicus begon en bij Lavoisier eindigde, speelde zich in feite goeddeels buiten de universiteit af, in buiten-universitaire, zelfs anti-universitaire intellectuele milieus, in de context van academies of wetenschappelijke genootschappen. In eerste instantie betrof het betrekkelijk kleinschalige en informele praktijken. Men communiceerde en correspondeerde in de landstaal. Het boek als "instrument" maakte plaats voor "echte" instrumenten, dat wil zeggen meetinstrumenten: de microscoop, de telescoop, de thermometer, de barometer. Men las geen volumineuze Latijnse boeken meer, woorden werden zoveel mogelijk vervangen door getallen, concepten door variabelen. De output bestond uit brieven, dagboeknotities en onderzoeksverslagen. Het laboratorium werd de typische context voor wetenschapsbeoefening en zou voortaan het beeld dat de buitenwacht (de daarmee ook de literaire auteur) van wetenschap had bepalen.

In de volgende paragrafen zal ik de hierboven geschetste typologie nader uitwerken door drie grondhoudingen jegens wetenschap aan de hand van klassieke voorbeelden te bespreken, namelijk hilariteit (Swift), angst (Faust) en enthousiasme (Verne). Op die manier wil dit artikel een overzicht bieden van de wijze waarop wetenschappelijke praktijken in literaire teksten verschijnen.
 

II. Hilariteit

2.1. Lachen om de school

Eeuwenlang vormde hilariteit de literaire standaardrespons op wetenschap. Het blijspel De Wolken (423 v. Chr.) van Aristophanes beschrijft een leraar en zijn school, namelijk Socrates en zijn gymnasium. De wetenschappelijke training bestaat uit hersengymnastiek die de pupillen in staat stelt discussies en rechtzaken in hun voordeel te beslechten, onafhankelijk van de vraag of zij het recht aan hun zijde hebben. Het toneelstuk oogstte succes. Kennelijk was het beeld dat Aristophanes van de Socratische praktijk schetste voor de buitenwacht herkenbaar. Zegt deze tekst ons iets over de Socratische praktijk zelf, of vooral over de wijze waarop die praktijk door de buitenwacht werd gepercipieerd? Anders gezegd, was de Socratische praktijk werkelijk zo lachwekkend, of komt het ridicule voor rekening van de auteur, bevindt het zich "in the eye of the beholder"? Deze vraag is nog altijd onderwerp van discussie onder experts.

In de satire Filosofen te Koop van Lucianus (2e eeuw na Chr.) wordt eveneens om wetenschap gelachen. Filosofen van diverse scholen worden door Zeus en Hermes te koop aangeboden en ver onder de vraagprijs van de hand gedaan. Kennelijk hecht het publiek weinig waarde aan wetenschap. Het lachwekkende moment bestaat vooral in de zelfgenoegzaamheid van de betrokken wetenschappers en in hun grenzeloze wederzijdse afgunst. Zelfs nu ze in het defensief gedrongen zijn, bestrijden ze elkaar in plaats van hun gemeenschappelijke belangen tegenover een wetenschapsvijandig publiek te beseffen.
 

2.2. Lachen om de universiteit

Ook de universiteit vormt, vele eeuwen later, het mikpunt van literaire spot. In Lof der Zotheid van Erasmus worden niet alleen de gebrekkige onderwijsmethoden en abominabele hygiënische omstandigheden van dit instituut op de korrel genomen, maar ook het feit dat wetenschappers de beste jaren van hun leven doorbrengen met het schrijven van een omvangrijk boek dat slechts door een handjevol (waarschijnlijk zeer kritische) vakgenoten zal worden gelezen, terwijl ondanks jaren van discussie over vrijwel alle belangrijke wetenschappelijke agendapunten chronische meningsverschillen blijven bestaan.

Hetzelfde beeld treffen we aan in de toneelstukken waarin de zeventiende-eeuwse Franse comedie-schrijver Molière de geneeskunst van zijn tijd genadeloos ridiculiseert, zoals L'amour Mèdecin (1665), Le médecin malgré lui (1666) en Le malade imaginaire (1673). Hierin laat hij personages verklaren dat de expertise van artsen slechts bestaat in het vertalen in het Latijn wat iedereen al weet, namelijk dat de patiënt ziek is. Wanneer vier artsen wordt gevraagd een oordeel over een ziektegeval te vellen, blijken hun meningen zeer ver uiteen te lopen. Twee van hen raken verzeild in een theoretisch dispuut dat in hun ogen van groter gewicht is dan het welzijn van hun patiënt, terwijl de andere twee verklaren dat het beter is in het geheel niets te doen en zich van ieder ingrijpen te onthouden, opdat de patiënt in ieder geval geen schade zal worden berokkend. Hun kennis is boekenwijsheid. De betrokkenen hebben geleerd de boeken van Aristoteles, Hippocrates en Galenus te ontcijferen, maar de werkelijk bestaande patiënt hebben ze weinig of niets te bieden. Ze zijn enkel in theoretische discussies geïnteresseerd en hebben weinig of geen belangstelling voor individuele zieken. Het zijn geleerden, lezers, die het kijken en luisteren nog moeten leren.

Pas omstreeks 1800 wordt de geneeskunde een klinische wetenschap (Foucault 1963) en krijgen artsen belangstelling voor levende patiënten. Dan pas gaan zij patiënten zien - letterlijk. Ze gaan ze thuis bezoeken. Pas rond 1800 wordt de arts een huis-arts. Dit heeft ook gevolgen voor de arts als literair personage. Hij verandert van een wereldvreemde geleerde in een huisvriend, een "derde persoon" die voldoende kennis heeft van - bijvoorbeeld - een huwelijksrelatie om deze relatie gedetailleerd te beschrijven. De nieuwe arts functioneert als het oog en oor van menig literair auteur, als de observerende en registrerende verteller die intieme kennis heeft van huiselijke situaties, uit eerste hand, zonder er zelf deel van uit te maken. Terwijl bedienden of ongeschoolde huisvrienden niet alles begrijpen wat zij zien, ontdekt de arts de ware toedracht achter hun observaties. Hij is de ideale verteller, de geprivilegieerde getuige, aldus Bakhtin (1988). Zijn activiteit bestaat in "eavesdropping", in het registreren van de intieme details van het burgerlijke bestaan, zonder die situatie te verstoren, en vanuit een positie van legitimiteit en deskundigheid. Via de blik van de arts weet de literaire auteur binnen te dringen in het intieme, alledaagse, menselijke bestaan. Net als rechters en detectives vervult hij een cruciale functie in de negentiende-eeuwse romanliteratuur. Na 1800 wordt de arts in literaire teksten uitermate serieus genomen. Hij is de voorbode van een nieuwe wetenschappelijke cultuur.

2.3. Lachen om nieuwe wetenschap

Terwijl Molière zich nog vrolijk maakt over de traditionele universiteitswetenschap, vindt buiten de universiteit de zogeheten wetenschappelijke revolutie plaats. Terwijl in de zestiende eeuw (Renaissance) het boek nog zeer hoog in aanzien staat en wetenschap nog primair als lectuur wordt opgevat, ondervindt de universiteit (vanaf 1650 ongeveer) concurrentie van een nieuwe wetenschappelijke organisatievorm: het wetenschappelijke genootschap of de academie. Wetenschappers nemen afstand van het boek, het gezaghebbende woord, het woord van de meester, en houden op lezers en leerlingen van een autoriteit of gezaghebbende cultuur te zijn. De nieuwe wetenschap vertrouwt op ervaring, maar niet op ervaring zonder meer. Men neemt afstand, letterlijk, van het primaire fenomeen door gebruik te maken van instrumenten die het fenomeen produceren, modificeren en registreren. Observeren wil voortaan zeggen: op systematische wijze weinig zien. In feite wil men zo weinig mogelijk waarnemen. Het meetinstrument is vooral bedoeld om de invloed van storende variabelen terug te dringen. Het eerste instrument dat in dit nieuwe intellectuele milieu ontwikkeld wordt is de camera obscura, die primair tot doel heeft een gesloten, geïsoleerde ruimte te creëren waarin licht niet of slechts in zeer geringe mate weet door te dringen. Hoewel deze nieuwe wetenschappers belangstelling aan de dag leggen voor praktische vraagstukken en ervaringen, blijft de afstand tussen wetenschap en buitenwereld groot. De buitenwacht heeft nauwelijks weet van de wereld van observaties en berekeningen waarmee deze wetenschappers zich voortaan bezighouden.

Swift (1726/1967) beschrijft in Voyage to Laputa, één van Gulliver's Travels, een fictief bezoek aan de Academie van Lagado. Hij beschrijft ontmoetingen en gesprekken met onderzoekers ("projectors") die in een gigantisch laboratoriumcomplex werkzaam zijn. Zij demonstreren hun instrumenten ("contrivances") en verzekeren bezoekers dat ze op het punt staan zeer belangrijke ontdekkingen te doen, op voorwaarde dat de buitenwereld bereid is extra financiële middelen te verschaffen. Vanwege het gebrek aan schifting tussen zinloos en zinvol onderzoek en het gebrek aan praktische bruikbaarheid wordt deze nieuwe wetenschappelijke praktijk door Swift volstrekt belachelijk gemaakt. Modern geformuleerd, niet alleen de wetenschappelijke, ook de maatschappelijke relevantie van het onderzoek wordt sterk betwijfeld. Vanuit het perspectief van buitenwacht, de "common sense", verwoord door Swift, roept de nieuwe vorm van wetenschappelijk onderzoek kennelijk nog grote argwaan op.

Swift beoefent een literair genre dat in de achttiende eeuw populair was, de satire. Zijn tekst is nog altijd amusant, als is ons gevoel voor humor sindsdien geëvolueerd. Een belangrijk stijlkenmerk van de satire is de overdrijving. De Academie omvat 500 kamers. De wetenschappers zijn extreem wereldvreemd en onverzorgd. Lachwekkend is ook de extreme bezorgdheid van wetenschappers voor plagiaat. Bij nader inzien bevindt de hilariteit zich voor een belangrijk deel "in the eye of the beholder" en blijkt een aantal van de projecten van de vermaledijde projectors zo dwaas nog niet. Met wat fantasie kunnen we in een aantal van deze projecten vormen van wetenschappelijk onderzoek herkennen die later heel belangrijk zullen worden. Aan het project van de onderzoeker die zonlicht uit komkommers wil extraheren, lijkt de intuïtie ten grondslag te liggen die later als de Wet van Behoud van Energie (de Eerste Hoofdwet van de Thermodynamica) beroemd zal worden. Het onderzoek naar menselijke uitwerpselen anticipeert op modern beleid inzake afvalverwerking. Het onderzoek naar de "malleability of fire" zou met enige goede wil als een begin kunnen worden opgevat van een onderzoekslijn die later tot de lasertechnologie zal leiden. Het onderzoek  met spinnenwebben anticipeert op het werk van latere onderzoekers naar de gebruikswaarde biomaterialen ter vervanging van kostbare traditionele grondstoffen, zoals zijde. En  de poging om het proces van tekstproductie te vereenvoudigen en te mechaniseren, doet de hedendaagse lezer denken aan latere ontwikkelingen zoals de typemachine en de tekstverwerker. In de reactie van de buitenwacht (vertegenwoordigd door Lemuel Gulliver) ligt de nadruk op het hilarische, maar voor de onderzoekers zelf gaat het om serieuze aanzetten. Kennelijk slagen wetenschappers er in 1726 al niet meer in om over hun vak te communiceren met de buitenwereld, dat wil zeggen met die instantie waarvan zij wel voor de financiering van hun onderzoek afhankelijk zijn.

Hoewel lachen om wetenschap sinds 1800 minder vaak voorkomt, is het subgenre niet geheel uitgestorven. Onder professoren van W.F. Hermans of de bekende romancyclus van Voskuil zouden beschouwd kunnen worden als recente voorbeelden van literaire pogingen om wetenschap voor te stellen als een zinloze en lachwekkende praktijk, en wetenschappers als lieden die zich vooral laten leiden door kleingeestigheid, competitiezucht en eigenbelang.
 

III. Angst voor wetenschap: Faust

3.1 De mid-life crisis van een wetenschapper

Johann Wolfgang Goethe (1749 - 1832), wetenschapper, minister en literator, werkte al in de jaren zeventig van de achttiende eeuw aan de zogeheten Urfaust, de eerste versie van zijn befaamde toneelstuk. Omstreeks 1790 ontstaat Faust, ein Fragment. Faust I verschijnt in 1808, Faust II in 1832. Met andere woorden, Goethe heeft zo ongeveer zijn hele leven aan dit project gewerkt. Het is een bewerking van vroeg moderne legende met middeleeuwse wortels, gebaseerd op het leven van de alchemist doktor Faustus, die werkelijk heeft bestaan. Ook andere auteurs hebben het materiaal gebruikt, denk aan Christopher Marlowe en Thomas Mann. Het stuk begint met een opdracht en een voorspel, gevolgd door een Prolog im Himmel. De dialoog tussen God en de duivel (Mephistopheles) herinnert aan het gesprek dat beiden in het begin van het Bijbelboek Job voeren. De duivel krijgt toestemming om te proberen een mens te verleiden tot afvalligheid. God heeft de mens immers vrij geschapen. Hij moet zelf kiezen tussen goed en kwaad. Door de afvalligheid van de mens (de wetenschapper) krijgt het kwaad een kans.

Dan begint de eigenlijke tekst. Het is nacht. We treffen Faust in een gotische, laat-middeleeuwse studeercel aan. Hij lucht zijn hart. Hij kampt, zo lijkt het, met een mid-life crisis. Faust, een vermaarde geleerde, een workaholic (die tot diep in de nacht werkt), maakte zich alle disciplines eigen die aan de middeleeuwse universiteit beoefend werden en bracht het tot magister en doctor, maar wanneer hij eerlijk is tegenover zichzelf moet hij vaststellen daß wir nichts wissen können:

 Habe nun, ach! Philosophie,
 Juristerei und Medizin,
 Und leider auch Theologie!
 Durchaus studiert, mit heißem Bemühn.
 Da steh ich nun, ich armer Tor!
 Und bin so klug als wie zuvor...

Deze teleurstelling maakt, dat hij zich tegen de middeleeuwse methode van wetenschapsbeoefening keert. Het lezen en becommentariëren van grote aantallen geleerde, gezaghebbende boeken levert geen echte kennis op. Het is de teleurstelling van iemand die het tot autoriteit heeft gebracht, die de betreffende wetenschappelijke praktijk met succes heeft beoefend en derhalve bevoegd is haar te beoordelen. Deze wetenschap, de toenmalige normal science, heeft hem niets meer te bieden. Boekenkennis is dode kennis en verschaft de onderzoeker geen inzicht in de complexiteit van de levende werkelijkheid. De Duitse filosoof Hegel beschrijft Faust als het zelfbewuste, wetenschappelijke individu dat afstand neemt van het gevestigde weten (1807/1970/1973, p. 270 e.v.). Het toneelstuk handelt, aldus Hegel, over het conflict tussen de ambitieuze, teleurgestelde onderzoeker enerzijds en het gezaghebbende, algemeen aanvaarde weten anderzijds, tussen de “Befriedigungslosheit” van de bestaande wetenschap en “die Lebendigkeit des Weltlebens”. Deze tegenstelling tussen dode kennis en levende werkelijkheid komt in Faust voortdurend terug. De typische attributen van de laat-middeleeuwse normal science zijn inderdaad dode dingen, namelijk boeken en skeletten. De wetenschap schiet principieel tekort. Zij is een kerker, een donker hol. Faust wil zijn bibliotheek verlaten, hij wil hinaus. We zouden hierin een verwijzing kunnen zien naar Plato’s gelijkenis van de grot. Wie zich in de grot bevindt, moet genoegen nemen met een tekstuele, indirecte weergave van de werkelijkheid. De ware wetenschapper daarentegen wil de levende werkelijkheid direct, zonder tussenkomst van boeken, onderzoeken. Er tekent zich een epistemologische breuk in de loopbaan van Faust af. Er voltrekt zich een paradigma-wisseling. De oude wetenschap schiet principieel tekort. Faust neemt afscheid van de middeleeuwse universiteit en gaat de alchimie beoefenen.
 

3.2. Wat is alchimie?

Faust speelt in de zestiende eeuw. Johannes Faustus, de geleerde die zich op het pad van de alchimie begeeft, heeft werkelijk bestaan. Ook tijdgenoot en collega Paracelsus, waarover meer bekend is, stond model voor de Faust die we in Goethe’s toneelstuk aantreffen. Paracelsus had, net als de historische Faust, de naam een contract te hebben gesloten met de duivel en omgang te hebben met geesten. Studenten en wetenschappers waren in die tijd van scholastici vagantes, rondtrekkende intellectuelen. Deze zestiende-eeuwse sfeer probeert Goethe in zijn toneelstuk tot leven te wekken. Ook Mephistopheles is uitgedost als een Fahrender Skolast. De alchimisten waren proto-chemici. Ze ontwikkelden laboratoriumapparatuur en in hun (quasi-)experimenten speelden (voor leken onverstaanbare) formules, die hardop werden uitgesproken, een belangrijke rol. Het waren formules in het Latijn, maar buitenstaanders, die het Latijn niet of nauwelijks machtig waren, meenden dat het om vreemde, betekenisloze klanken ging. Hocus pocus Pilatus pas is een verbastering van Hoc est corpus meus (“Dit is mijn lichaam”), een zin die niet alleen tijdens alchemistische experimenten, maar ook op het hoogtepunt van de Mis door de priester werd uitgesproken (maar voor de meeste kerkgangers onverstaanbaar was). Dergelijke Evangelie-citaten speelden ook in de alchemistische praxis een rol. De geleerde Faust, opgesloten in zijn boekenkerker, “Beschränkt von diesem Bücherhauf”, hoopt dat het nieuwe paradigma, de nieuwe methode eindelijk inzicht zal verschaffen in het wezen der dingen. Niet het boek, maar de levende natuur zal hem voortaan onderwijzen. Lectuur maakt plaats voor alchemistische experimenten.

De attributen van de nieuwe wetenschap zijn enerzijds voorwerpen uit het alchemistische laboratorium (zoals fiolen met gezuiverde, geheimzinnige stoffen) en anderzijds boeken met symbolen, zoals het Platoonse symbool voor de Macrokosmos of het pentagram (de “Druïdenfuß”). Want naast het mengen (of verhitten) van stoffen (onder het uitspreken van formules), kende de alchimie nog een tweede onderzoekstechniek, namelijk concentratie op symbolen (meditatie). Door zich op deze symbolen te concentreren hoopte de alchimist toegang te krijgen tot het mysterie van de werkelijkheid, het wezen der dingen, hoopte hij de elementaire, harmonische structuur van de kosmos te doorgronden. De filosofische term voor deze methode van onderzoek is intellektuelle Anschauung. Het gaat om geestelijk, niet-zintuiglijk zien, om inzien. Er[Faust] beschaut das Zeichen... schrijft Goethe. Voor het geestelijke oog, het menselijke intellect, verschijnt de natuur als een perfecte, harmonische orde. De alchemistische symbolen vormden als het ware het alfabet waarin God de code van de Schepping had opgetekend.

Een van de technieken die alchimisten ontwikkelden om stoffen te zuiveren was distillatie. En alcohol was een van de stoffen die door distillatie werden verkregen. Deze stof werd spiritus (geest) genoemd (de naam alcohol werd pas aan het einde van de achttiende eeuw door Lavoisier geïntroduceerd) en de drank met een hoog alcohol-percentage die op deze wijze werd verkregen heette levenswater (aqua vitae). Levenswater werd als medicijn gebruikt, maar ook de alchemistische onderzoekers zelf gebruikten alcohol om een toestand van roes te bereiken waarvan ze verwachtten dat die gunstige condities zou scheppen voor het verwerven van intellectueel inzicht. De gedachte dat diep inzicht gepaard gaat met een toestand van roes, treffen we reeds bij Plato aan. Paracelsus was berucht vanwege zijn alcohol(ge/mis)bruik  - "His time was spent in drinking heavily" schrijft de wetenschapshistoricus Ihde (1964) -, maar dit hing ongetwijfeld samen met alcoholconsumptie als alchemistische techniek. Wie alcohol zelf gebruikt weet dat deze stof in eerste instantie een verhelderend en stimulerend (later een verdovend) effect op onze geestesgesteldheid heeft. Ook Faust zien we op een gegeven moment een stimulerend, alcoholisch middel (levenswater) gebruiken.
 

3.3. Epistemologische breuken

Faust en zijn assistent (later zijn opvolger) Wagner vertegenwoordigen verschillende typen wetenschappers, verschillende stijlen van wetenschapsbeoefening. Faust is de extreem-ambitieuze wetenschapper, het gevaarlijke genie dat bereid is aanzienlijke risico’s te accepteren om een doorbraak te forceren. Wagner daarentegen is tevreden met de gedachte dat individuele wetenschappers slechts een kleine, en in de regel anonieme bijdrage zullen leveren aan het grote project van lange adem dat wetenschap heet. De kunst is lang, het leven is kort, zo luidt de gevleugelde uitdrukking die hij citeert en die dit besef tot uitdrukking brengt. Dat wil zeggen, er is sprake van disproportionaliteit tussen het grote offer dat de individuele wetenschapper brengt (hij stelt zijn hele bestaan in dienst van de wetenschap) en de geringe bijdrage die hij strikt genomen levert. De optelsom van al die individuele bijdragen leidt weliswaar tot belangrijke resultaten, maar de individuele bijdrage is in de regel weinig spectaculair. Dit geldt echter niet voor de "Faustiaanse" wetenschappers die erin slagen een nieuw paradigma, een geheel nieuwe stijl van wetenschapsbeoefening te initiëren. Wagner heeft vrede met het lot van de anonieme wetenschapper. Faust wil meer, ook als daarmee grote risico’s gepaard gaan. Zijn motto luidt: Alles of niets. Hij is bereid de sprong te wagen, heeft niets te verliezen, is bereid alles wat hij bereikt heeft op te geven. Hij is er klaar voor. Bij Faust zelf is geen sprake (meer) van angst voor  wetenschap. Lange tijd heeft hij getwijfeld: Zwei Seelen wohnen, ach! in meiner Brust... De radicale wil tot weten is echter sterker. Hij maakt zich nu los van zijn andere, behoudende Ik.

Hoewel de epistemologische breuk (de alchemistische wending) gepaard gaat met een afscheid van de lectuurwetenschap, de boekenwetenschap, speelt een beperkt aantal boeken in deze nieuwe wetenschappelijke praktijk een belangrijke rol. Naast de Timaeus van Plato is dat het Nieuwe Testament, en dan vooral het Johannes-Evangelie. Dit boek werd door alchimisten als een laboratorium-handboek beschouwd. In tegenstelling tot de andere drie Evangeliën, die midden in het alledaagse leven staan, ademt het Johannes-Evangelie een mystieke sfeer. De gedachte was dat dit boek, indien het op de juiste wijze ontcijferd zou worden, intellectueel inzicht in het wezen van de werkelijkheid zou verschaffen. Ook de zojuist als aangehaalde woorden Hoc est corpus meus komen erin voor. Het Laatste Avondmaal dat in dit Evangelie wordt beschreven, heeft veel weg van een alchemistische handeling. Onder het uitspreken van een formule verandert wijn in bloed, en brood in vlees. De middeleeuwse term voor deze verandering was transsubstantiatie. Op dezelfde manier hoopten alchimisten gewone metalen in edelmetaal te veranderen. In de kelk van Christus zou men een alchemistische bokaal kunnen herkennen. Ook de gedachte dat de onderzoeker alleen dan in staat is de transformatie tot stand te brengen wanneer hij zelf geestelijk gezuiverd is rijmt met de morele zuiverheid, onbezoedeldheid, integriteit van Christus (en later van de priester).

Vandaar dat het geen verbazing mag wekken dat Faust op een gegeven moment het Johannes-Evangelie openslaat. Het begint met de woorden: En archè èn ho logos, oftewel: In den beginne was het woord. “Logos” kan echter behalve “woord” ook “zin”, “begrip”, “rede” of (geometrische) “verhouding” betekenen. De vertaler wordt meteen al met een probleem geconfronteerd. Ook Faust gaat op zoek naar een adequate vertaling. Hij opent het boek met de grondtekst, het heilige origineel (de Grieks versie) en blijft al steken in de eerste, zojuist geciteerde zin: Hier stock ich schon!
 
 Ich kann das Wort so hoch unmöglich schätzen,
 Ich muß es anders übersetzen,
 Wenn ich vom Geiste recht erleuchtet bin....

Een adequate vertaling vergt een ingeving, een illuminatio. Hij waagt een aantal pogingen en komt ten slotte uit bij de meest beroemde zin uit Goethe's stuk: Im Anfang war die Tat! Wat is deze betekenis van deze uitspraak?

Om te beginnen moeten we ons realiseren dat de zestiende-eeuwse, historische doktor Faust een tijdgenoot is van Martin Luther, die (eveneens in een houten studeercel) het Nieuwe Testament vanuit het Grieks in het Duits vertaalde. Ook Luther probeert de Bijbel (de grondtekst, het origineel) te “zuiveren”. Ook hij neemt afscheid van de bibliotheek (de middeleeuwse, scholastieke commentaar-traditie). Terwijl hij daarmee bezig is krijgt ook Luther bezoek van de Duivel. Hij weet hem echter te verjagen door een wind te laten en een inktpot naar zijn hoofd te gooien (Zwart 1999). Dat wil zeggen: Luther gaat niet op de uitnodiging in, hij blijft wat hij is - een theoloog, een lezer, een vertaler, een commentator. Zijn vertaling luidt dan ook: “Im Anfang war das Wort”. W. Scherer schrijft:

“Der Faust der Sage ist das Gegenbild Luthers. Luther glaubt, Faust (ver)zweifelt; Luther verehrt die heilige Schrift, Faust schiebt sie bei Seite. Luther misstraut der Vernunft, Faust is ein Forscher auf eigne Hand; Luther kämpft siegreich mit dem Teufel, Faust unterliegt ihm” (in: Bolland, 1918, p. 25).

Wanneer Faust zijn ingeving heeft gehad die in zijn originele vertaling tot uitdrukking komt, slaat hij het boek weer dicht. Hij heeft het niet meer nodig. De nieuwe wetenschap is een actieve, dat wil zeggen experimentele wetenschap. Faust stopt met lezen, hij gaat handelen. De nieuwe, abrupte en gewaagde vertaling heeft deze praxis gelegitimeerd en mogelijk gemaakt.
 

3.4. Wetenschap en risico

Faust ontstond omstreeks 1800, maar beschrijft een epistemologische breuk, een wetenschappelijke revolutie die zich in de zestiende eeuw voltrekt: de opkomst van de alchimie als proto-scheikunde. Toch kunnen we ook een verband leggen met gebeurtenissen in de wetenschap (en dan met name in de scheikunde) in Goethe’s eigen tijd. Aan het einde van de achttiende eeuw wordt scheikunde een moderne wetenschap. Lavoisiers analyse van het fermentatieproces (de productie van alcohol) vormt daarin een belangrijke stap. Alcohol wordt gedemystificeerd. Vandaar dat de beladen term spiritus door de neutrale aanduiding alcohol wordt vervangen. De wetenschappers die bij deze nieuwe wetenschap betrokken zijn, lopen echter grote risico’s. Niet zozeer in morele zin (ze hoeven hun ziel niet aan de duivel te verkopen), maar in die zin dat de omgang met geconcentreerde, gezuiverde stoffen lichamelijke risico’s met zich meebrengt, zeker als we bedenken dat belangrijke onderzoekers die een bijdrage leverden aan de ontwikkeling van de scheikunde, zoals Newton, Humphry Davy en Faraday, stoffen vaak direct met behulp van hun eigen zintuigen determineerden, door eraan te ruiken of te proeven. Scheikundigen van het eerste uur vergiftigden zichzelf. Zij moesten hun wil tot weten met hun gezondheid en zelfs met hun leven bekopen. Om nog maar te zwijgen over risico’s zoals ontploffing en brand. Dit gold overigens ook voor andere vormen van experimentele (actieve) wetenschap. Ook Galileï beschadigde zijn ogen met zijn onderzoek naar zonnevlekken, zoals Bertold Brecht benadrukt in het toneelstuk dat hij aan hem wijdde. Experimenteel onderzoek was, zeker in die tijd, toen de technieken nog “primitief” waren, niet alleen actiever, maar ook gevaarlijker dan boeken lezen.

In de nieuwe wetenschap (zowel in de alchimie als later in de wetenschappelijke scheikunde) speelt actief manipuleren, denken met de handen, een cruciale rol. Fausts vertaling van de Johannes-proloog verwijst naar een belangrijke omslag in het wetenschappelijke denken: van boekenwijsheid naar alchimie, maar indirect ook naar de omslag van alchimie naar scheikunde die zich op dat moment, in de tijd van Goethe zelf, voltrok. De studeerkamer maakt plaats voor het laboratorium, contemplatie voor experimenteel handelen - met de nadruk op handelen. Faust wordt gedreven door teleurstelling, door wanhoop. Het contrast tussen de complexiteit van de levende werkelijkheid enerzijds en de armoede van het boekenweten anderzijds wordt ondraaglijk. Hij neemt er geen genoegen mee. Wagner is terughoudender en ook de buitenwacht, dat wil zeggen de toeschouwers, schrikken van zijn overmoed. In die tijd was de plot van het verhaal algemeen bekend: Faust komt op een verschrikkelijke, gewelddadige manier aan zijn einde, er blijft niets meer van hem over, hij gaat op in het niets, alsof er een verschrikkelijke explosie plaatsvindt. Doe het niet, zal de meelevende toeschouwer in stilte tegen hem zeggen. De angst voor het weten bevindt zich met andere woorden bij de toeschouwer, niet (meer) bij Faust. Hij is de angst voorbij.  De nieuwe, “Faustiaanse" wetenschapper verlaat zijn studeercel, het dode object (het boek, het skelet) om buiten met de levende, dynamische werkelijkheid te interacteren.
 

3. 5. De in-vitro-mens

Goethe bleef zoals gezegd aan zijn toneelstuk werken en voltooide kort voor zijn dood Faust II. Na de plotselinge, geheimzinnige verdwijning van Faust heeft de voormalige assistent Wagner zijn plaats ingenomen. Ook Wagner is als wetenschapper beroemd geworden. Ook hij geldt als de belangrijkste wetenschapper van zijn tijd. Toch is hij bescheiden gebleven. Hij blijft de nagedachtenis van zijn leraar eren. We treffen hem niet in een studeerkamer, maar in een laboratorium aan. “Laboratorium im Sinne des Mittelalters”, schrijft Goethe, met vreemde, onbeholpen, fantastische apparaten. Ook Wagner is een workaholic geworden, maar in plaats van met boeken is hij met glaswerk, met fiolen in de weer. En werkelijk, het is volbracht! Hij heeft een oude wensgedachte van de alchimie gerealiseerd. Hij staat op het punt een homunculus, een artificieel “mensje” tot leven te wekken. Es wird ein Mensch gemacht...  Want inderdaad: “Het beeld van de alchemist, die verrast een retort omhoog houdt waarin temidden van dampen een mensje (homunculus) zichtbaar wordt” maakt deel uit van het archetypische beeld van de alchimist (Van Helsdingen 1964, p. 127).

Volgens Wagner behoort de oude, natuurlijke, of beter gezegd "dierlijke" manier om menselijke leven te verwekken voortaan tot het verleden. In vitro reproduktie heeft de toekomst. Geslachtsgemeenschap wordt gedemystificeerd. Het menselijk verstand is in staat er iets beters voor in de plaats te zetten. De nieuwe mens "kristalliseert” in een fles. Het is echter een louter geestelijke mens die de fles, de fiool niet kan verlaten. Immers:

Was kunstlich ist, verlangt geschloßnen Raum (6884).

De homunculus beschikt over bijzondere eigenschappen. Hij kan zien wat mensen dromen, hij neemt hun (erotische) dromen waar. Wanneer we Wagners homunculus met het monster van Frankenstein vergelijken zien we naast overeenkomsten ook verschillen. Om met het laatste te beginnen: Frankensteins monster is lichamelijk, materieel. Bij Frankenstein gaat het om de fabricatie van een kunstmatige mens uit organisch en anorganisch materiaal. De homunculus van Wagner (dan wel van Faust) is daarentegen geestelijk en niet in staat om een onafhankelijk materieel bestaan te leiden, zich buiten zijn fiool te begeven. Hij zweeft, met fiool en al, door de lucht. De dialoog tussen Frankenstein en zijn monster is dramatisch, de dialoog tussen Wagner en de homunculus daarentegen komisch. De homunculus is, zo lijkt het, ongevaarlijk. De overeenkomst is dat zowel de homunculus als het monster kort na hun verwekking het laboratorium verlaten. Het monster wordt door Frankenstein in de steek gelaten, de homunculus laat zelf zijn schepper in de steek. Hij zweef, met fiool en al, naar buiten. Ook de homunculus wil hinaus. Containment blijkt niet mogelijk. Het artefact ontsnapt spoedig aan de controle van de onderzoeker. Terwijl het monster van Frankenstein veel schade aanricht, is de homunculus echter extreem kwetsbaar en voortdurend bevreesd dat het glas  zal barsten.
 

IV. Enthousiasme: Jules Verne als wetenschapsfilosoof

4.1. Inleiding

De meeste romans die Jules Verne (1828 - 1905) onder de titel Voyages Extraordinaires (“Wonderreizen”) publiceerde hebben dezelfde structuur. Ze hebben de structuur van een experiment. De reis naar de maan bijvoorbeeld wordt omschreven als een unieke proefneming ("une tentative scientifique sans precedent dans les annales de la science", 1870, p. 1). De bemanningsleden van de maanbolide fungeren als proefpersonen, terwijl zich ook proefdieren aan boord bevinden. Een ervan komt tijdens de proef te overlijden. De maanreis is niet alleen een experiment, maar maakt ook een groot aantal experimenten mogelijk, bijvoorbeeld met betrekking tot gewichtloosheid. De inzittenden brengen een belangrijk deel van hun tijd door met experimenteren ("ils passaient leur temps à faire des expériences", p. 210) en noteren hun bevindingen zorgvuldig in een wetenschappelijk notitieboek.

Een beslissende rol in Verne's denkbeeldige experimenten is weggelegd voor een machine, een apparaat, een instrument, een contrivance zoals dat ten tijde van de wetenschappelijke revolutie heette (bijvoorbeeld de maanbolide), die het betreffende experiment mogelijk maakt, die een bepaalde ervaring mogelijk maakt, die een (voorheen ontoegankelijke) dimensie van de werkelijkheid toegankelijk maakt. Het menselijke bestaan is in beginsel statisch en speelt zich af binnen één dimensie, namelijk op aarde. In de romans van Verne ontwikkelen wetenschappers machines die nieuwe dimensies ontsluiten en de mensheid (vertegenwoordigd door een klein groepje wetenschappelijke pioniers) in beweging brengen. Dankzij een machine worden zee, lucht en ruimte toegankelijk voor de mens, evenals voorheen ontoegankelijke gebieden (met name in Afrika) en onderaardse grotten en gangenstelsels. De vaak onroerende apparaten van de traditionele wetenschap, maken plaats voor mobiele en bemande observatoria. De onderzoeker sluit zich op in zijn instrument, waarmee hij vervolgens aan een lange, avontuurlijke reis begint. Wetenschappers zijn niet alleen de geniale ontwikkelaars van deze machines, maar ook degenen die zich met ware doodsverachting blootstellen aan de nieuwe ervaring die dankzij deze machine mogelijk wordt. Zoals de aanduiding “Wonderreizen” aangeeft, heeft het experiment de vorm van een reis. De machine die de nieuwe ervaring, de nieuwe wetenschappelijke praktijk mogelijk maakt, is in de regel een vaartuig. De basale attitude (grondhouding) jegens wetenschap die we in Verne's werk aantreffen is enthousiasme, maar het gaat niet om enthousiasme zonder mee. Op de achtergrond spelen typische angsten en verlangens een belangrijke rol, zoals de angst voor het niets, de abiotische, duistere leegte. In alle romans van Verne komen momenten voor waarin wetenschappelijke reizigers zich in een afschrikwekkend isolement bevinden, in een volstrekte leegte, een volstrekte duisternis, een volstrekt abiotische omgeving - alsof Genesis nog moet aanbreken. "Geen enkel levend wezen bezielde deze uitgestrekte, dode eenzaamheid" heet het bijvoorbeeld in Hector Servadac, een verhaal over een wonderbaarlijke ruimtereis (1877/1964, p. 200).
 

4.2. Wetenschap maakt mogelijk en wordt mogelijk

Wetenschap is in de romans van Verne op twee manieren aanwezig. In de eerste plaats als de wetenschap die de betreffende ervaring mogelijk maakt, in de tweede plaats als de wetenschap die door deze ervaring mogelijk wordt. Om een voorbeeld te geven: de reis naar de maan wordt mogelijk gemaakt door de ballistiek, de wetenschap die bij machte is exact te berekenen welke beginsnelheid de bolide met de daarin aanwezige maanreizigers moet hebben om de aarde te kunnen verlaten en welke baan zij moet beschrijven om de maan te bereiken. Maar zodra de bolide gelanceerd is, wordt een nieuw type wetenschapsbeoefening, een nieuw vorm van selenografie (maancartografie) mogelijk. Tot op dat moment wordt de maan vanaf de aarde bestudeerd en in kaart gebracht. Gigantische telescopen op bergtoppen kunnen de afstand tussen aarde en maan slechts ten dele teniet doen. Dankzij de ballistiek kan de maan tot op enkele kilometers worden genaderd en kan het maanoppervlak van zeer nabij worden onderzocht. Dit maakt een nieuw type wetenschappelijke ervaring mogelijk. Het wordt mogelijk de beschikbare orografische inzichten betreffende het maanoppervlak niet alleen te controleren, maar vooral ook drastisch te verbeteren. Een meer betrouwbare manier van observeren wordt mogelijk die in een meer betrouwbare maankaart resulteert. De Mappa Selenographica van De Beer et Moedler uit 1830 kan dankzij de maanreis drastisch worden bijgesteld. Ideale omstandigheden (ongekende fysieke nabijheid) maken extreme, ongekende precisie mogelijk.

Op dezelfde wijze is er enerzijds veel wetenschappelijke (met name fysische) kennis nodig om de Nautilus van Kapitein Nemo in 20.000 mijlen onder zee te construeren. Vervolgens echter worden nieuwe vormen van wetenschappelijk onderzoek door dit wonderbaarlijke onderwaterlaboratorium mogelijk gemaakt, zoals oceanografie, diepzeezoölogie en diepzeearcheologie. Nog een voorbeeld: Er is pneumatische kennis nodig om de luchtballon waarmee Samuel Ferguson en zijn medepassagiers gedurende vijf weken boven Afrika zweven te construeren, maar deze luchtballon maakt vervolgens een nieuw type wetenschap, een nieuwe, meer betrouwbare vorm van geografiebeoefening mogelijk. De betreffende machines (de bolide, de duikboot, de luchtballon) maken het mogelijk het wetenschappelijke object min of meer direct, met het blote oog te observeren. Dankzij de machine gaat de onderzoeker als het ware naar de dingen, naar de onderzoeksobjecten toe. In Vijf weken in een luchtballon wordt een immens landschap door de luchtballon (als observatieapparaat) als het ware 2-dimensioneel gemaakt: "En de kaart van Afrika ontrolt zich aan mijn voeten" (1863/1992, p. 25). De oude methode (de ontdekkingstocht te voet), is niet alleen trager en aanzienlijk minder comfortabel, maar levert ook minder betrouwbare informatie op. Dankzij de machine, dankzij het apparaat (de luchtballon in dit geval) wordt het mogelijk de aardrijkskundige waarnemingen van Burton, Speke en andere ontdekkingsreizigers te controleren en te verbeteren.

In de reis naar de Noordpool die Verne in Reizen en lotgevallen van Kapitein Hatteras beschrijft, wordt eveneens een nieuw soort wetenschappelijke ervaring mogelijk gemaakt: namelijk meteorologisch en natuurkundig onderzoek onder extreem lage temperaturen. De wetenschappelijke hoofdpersoon, Dokter Clawbonny, beschrijft de poolstreken die door Hatteras en zijn medereizigers worden ontsloten als "een uitgestrekt laboratorium" waar uniek en grensverleggend onderzoek naar de lage temperaturen kan worden verricht (1866, p. 80). In Reis naar het middelpunt der aarde ten slotte stelt semiotiek de wetenschappelijke reizigers in staat een alchemistisch cryptogram te ontcijferen, terwijl de geologie en de mineralogie hen de weg wijzen door het duistere, voorheen ontoegankelijke binnenste der aarde. Dit zijn de wetenschappen die de nieuwe ervaring mogelijk maken. De nieuwe wetenschappen die door deze ervaring mogelijk worden, zijn de speleologie en de evolutionaire paleontologie. Proefondervindelijk wil de hoofdpersoon de theorie van Humphry Davy, dat het binnenste van de aarde uit holtes bestaat, bewijzen. In deze holtes blijken zich oude levensvormen te bevinden die elders op aarde door nieuwe levensvormen zijn vervangen. Ze kunnen het evolutieproces als het ware direct, met het blote oog waarnemen. Hun reis in het binnenste der aarde is in feite een gecomprimeerde reis terug in de tijd. Deze regressie, deze terugkeer in de tijd, treffen we ook elders in het werk van Verne aan. Enerzijds laat hij zijn helden gebruik maken van geavanceerde vaartuigen of voertuigen (snelle en comfortabele treinen, helikopters, luxueuze schepen ter grootte van een stad), terwijl elders - bijvoorbeeld in Koerier van de Tsaar - de mobiliteit naarmate de roman vordert steeds primitiever wordt, totdat uiteindelijk de hoofdpersoon te voet en op de tast zijn weg zoekt door een ongecultiveerde, ongebaande, angstwekkende wildernis.
 

4.3. Bezetting

Aan boord van de machine, van de contrivance die de nieuwe vorm van waarneming en onderzoek mogelijk maakt, bevinden zich in de regel drie personen: de wetenschapper die het experiment ontwerpt en de machine bouwt, diens betrouwbare, dociele en extreem toegewijde assistent en, last but not least, een criticus, een kritische "reviewer" die weigert in de realiseerbaarheid van het ontwerp of de uitvoerbaarheid van het experiment te geloven. Laatstgenoemde woont het experiment in feite in levende lijve bij, in plaats van op een later tijdstip als kritische beoordelaar van het onderzoeksverslag op te treden. Op wat grotere afstand bevindt zich het grote publiek, de krantenlezers, die aan het begin van het verhaal met enthousiasme van de experimentele opzet kennis nemen en aan het einde nog veel enthousiaster reageren wanneer de wetenschappelijke reizigers veilig, weldoorvoed en in goede gezondheid terugkeren en hun onderzoeksverslag publiceren. Want de reizen die Verne's helden in hun machines ondernemen resulteren in de regel in een opzienbarende tekst.

Ook in Robur de Veroveraar (van het luchtruim) vinden we deze rolbezetting terug, die samenhangt met de experimentele opzet van de tekst. In feite beschrijft de roman een cruciaal experiment dat een chronische discussie tussen twee wetenschappelijke partijen moet beslechten, met als inzet de vraag of de toekomst van het vliegen zal berusten in het beginsel "Lichter dan lucht" (dat aan de luchtballon ten grondslag ligt) of in het hiermee concurrerende beginsel "Zwaarder dan lucht" (waarop de helikopter en het vliegtuig zijn gestoeld). Robur ontvoert twee critici, tegen hun wil, en dwingt hen om aan boord van zijn gigantische helikopter getuige te zijn van de wijze waarop hij het experiment in zijn voordeel beslecht. "Van welke reeks proefnemingen zijn wij genoodzaakt deel uit te maken?", verzuchten zij (1886/1964, p. 86).

In andere romans maken de wetenschapper (en diens assistent) kennis met een wetenschappelijk genie. In 20.000 mijlen onder zee bijvoorbeeld dwingt het genie Nemo zijn onvrijwillige gast, professor Aronnax (een van de meest vermaarde naturalistische en oceanografische experts van zijn tijd), de rol van student te spelen. Nemo toont hem de beperkingen, de constraints van de bestaande wetenschappen. Zijn geniale machine (de duikboot) maakt het mogelijk deze wetenschappen onder optimale condities te beoefenen. Nemo heeft dan ook alle grote vraagstukken waarover de vooraanstaande wetenschappers van die tijd discussiëren al lang opgelost. Hij heeft echter geen enkele behoefte om zijn inzichten en onderzoeksresultaten te publiceren. Het genie heeft geen behoefte aan erkenning, heeft er geen behoefte aan zijn inzichten ten overstaan van het wetenschappelijke forum te verdedigen. Het genie kent slechts minachting voor zijn medemensen, zeker ook voor zijn medewetenschappers. Hij is de alwetende Übermensch die behagen schept in kennis omwille van zichzelf.
 

4.4. Archetypen

Op hun tocht ontmoeten de hoofdpersonen van Reis naar het middelpunt der aarde monsterachtige levensvormen uit vervlogen geologische perioden. Deze roman van Verne is de eerste paleontologische monsterroman, de eerste dinosaurus-roman. Het archetype van het monster is in de romans van Verne veelvuldig aanwezig. In 20.000 mijlen onder zee bijvoorbeeld treffen we diverse monsters aan. Eerst wordt de onderzeeboot zelf lange tijd voor een monster gehouden. Later komen de opvarenden oog in oog te staan met een octopus, een school potvissen, een gigantische schelp en andere monsterlijke wezens. In Reis naar het middelpunt der aarde raken twee paleontologische monsters met elkaar in gevecht. Ook het archetype van de ontploffing is aanwezig in Verne's werk, daar waar chemici ten tonele worden gevoerd, zoals in De 500 miljoen van de Begum en Face au drapeau.  In andere romans komen we het archetype tegen van de wiskunde: het astronomische getal, zoals in Reizen en lotgevallen van Kapitein Hatteras,  waarin van gedachten wordt gewisseld over het gewicht van planeten totdat de aanwezige leek verzucht dat dergelijke getallen ons verstand te boven gaan (p. 218). In Autour de la lune treffen we een letterlijke herhaling van deze typische scène aan (p. 87). En in Hector Servadac worden de reisgenoten van de geleerde astronoom Rosette letterlijk murw gemaakt met hoorcollege-achtige uiteenzettingen waarin astronomische getallen de voornaamste items vormen.

De Zuidpool vertegenwoordigt in 20.000 mijlen onder zee en elders het archetype van de grote, zwijgzame, ijzingwekkende, ongenaakbare, maagdelijke moeder. Het verlangen naar de archetypische moeder is wat de Nautilus (die zich als een zaadcel door de wereldzeeën voortbeweegt) in beweging houdt. Wordt de Zuidpool bereikt, dan dreigt zij de Nautilus in te sluiten en op te slokken. Er tekenen zich blauwe adertjes af op haar blanke huid. De opvarenden krijgen het extreem benauwd en raken, door de ijzige omhelzing, in ademnood. Op het nippertje weten ze uit de claustrofobische tunnel te ontsnappen. Ook in de bolide waarin de reis naar de maan wordt gemaakt, en die door een reusachtig, fallus-achtig kanon wordt afgeschoten, herkennen we een zaadcel die op weg is naar de maan, het hemellichaam dat met nadruk een moeder wordt genoemd.

Het Zwarte Goud, een roman over mijnbouw in Schotland, wordt, evenals Reis naar het middelpunt der aarde, gedomineerd door het archetype van het labyrint, maar tegelijkertijd wordt de mijn voorgesteld als "het lijk van een voorwereldlijk monster" (1877/1993, p. 15) en als een groot ademend moederlichaam, waarvan de mijngangen de aderen zijn. Dankzij de veiligheidslamp, een uitvinding van de scheikundige Humphrey Davy, is de mijn toegankelijk geworden voor duurzame menselijke aanwezigheid, zelfs voor migratie. Het experimentele moment in deze roman bestaat hierin dat een meisje dat haar hele leven in de mijn heeft doorgebracht, wordt blootgesteld aan normale menselijke condities, zoals stad, daglicht en zeelucht, om proefondervindelijk te onderzoeken hoe haar lichaam en haar zintuigen hierop zullen reageren. De labyrint-achtige mijn komen we ook tegen in De 500 miljoen van de Begum, waar een mijnwerker plantaardige en dierlijke levensvormen die hij in mijngangen aantreft bestudeert en determineert. De roman beschrijft een monsterachtige, industriële stad die zich explosief ontwikkelt, de omgeving ernstig vervuilt en de structuur heeft van een gevangenis, een panopticon, met in het centrum een "cyclopische constructie" van waaruit het gevaarlijke wetenschappelijke genie Schultze de human resources van zijn perfecte organisatie permanent onder toezicht houdt. Dit genie wordt echter tegengewerkt door een jonge wetenschapper die zijn kennis in dienst stelt van de mensheid. Het geniale experiment van Schultze mislukt op het moment dat een van zijn bommen ontploft en hij ter plekke doodvriest, hetgeen de dood, de langzame uitdoving van zijn monsterstad tot gevolg heeft.
 

4.5. Een Einsteiniaanse intuïtie

Ook De reis om de wereld in 80 dagen heeft de vorm van een experiment. In feite gaat het om een weddenschap. Gebruik makend van nieuwe machines, van nieuwe apparaten (zoals de stoomtrein en de stoomboot) moet het theoretisch mogelijk zijn in 80 dagen een baan over het aardoppervlak te beschrijven. De vraag luidt in feite in hoeverre theorie en praktijk van de moderne tijdrekening met elkaar overeenstemmen. In hoeverre komt de mathematische berekening overeen met de fysische realiteit? De common sense-opvatting luidt dat een dergelijke reis in de praktijk meer tijd zal vergen vanwege "onvoorziene omstandigheden". Phileas Fogg wil echter bewijzen dat datgene wat in theorie (op grond van mathematische berekeningen) mogelijk is, ook in de praktijk realiseerbaar is, mits de betrokkene zich als een klok of rekenmachine gedraagt en onverschillig is voor landschappelijke, culturele en toeristische attracties. Nog anders gezegd: de vraagstelling luidt of de tijd werkelijk zo verloopt, zo lang duurt, als we op grond van mathematische berekeningen denken. Als we een bepaalde afstand met een bepaalde snelheid afleggen, komen we dan inderdaad precies op tijd?

De uitkomst van het experiment luidt dat tijd tot op zekere hoogte relatief is, dat tijdsmeting afhankelijk is van beweging, dat onze mobiliteit van invloed is op onze tijd. Want wie een reist rond de aarde in Oostelijke richting maakt, wint bij thuiskomst 24 uur. We zouden hierin een intuïtie kunnen zien die later zijn beslag zal krijgen in Einsteins relativiteitstheorie, waarvan de essentie door Russell als volgt wordt verwoord: "Two perfectly accurate clocks, one of which is moving very fast, will not continue to show the same time if they come together after the journey" (1925/1958/1969, p. 20). Russell beschrijft een experiment met twee klokken die zich aan boord van twee treinen bevinden die zich met grote snelheid van elkaar verplaatsen. Hun tijdsmeting zal afwijkingen gaan vertonen. Deze intuïtie, dat extreme mobiliteit en ongekende snelheden een zekere impact hebben op onze tijdsmeting, vormt de grondslag voor Verne's roman.
 

4.6. Slot: vrijheid en opsluiting

De machines die de wetenschappelijke helden in Verne's boeken ontwerpen en construeren zijn in feite mobiele laboratoria. De romans van Verne introduceren machines of apparaten die het mogelijk maken wetenschap onder ideale condities te beoefenen. De betrokken wetenschappers verrichten voortdurend observaties en maken voortdurend notities. Dankzij de duikboot kan professor Aronnax de oceanografische monografie waarmee hij als wetenschapper naam maakte volledig herzien. Eindelijk heeft hij recht van spreken ("J'avais maintenant le droit d'écrire le vrai livre de la mer", p. 420). Sterker nog, voordat hij aanmonstert heeft hij in feite de grenzen van zijn wetenschap bereikt. Ondanks zijn goede humeur bevindt hij zich duidelijk in een mid-life crisis, een toestand van wetenschappelijke malaise. Hij lijkt zijn tijd te verdoen met het geven van interviews en adviezen. Dankzij de duikboot van Nemo is hij in staat een wetenschappelijke sprong te maken en zijn wetenschap op een hoger niveau te tillen, een wetenschappelijke doorbraak te forceren. Hij hoeft de diepzee niet langer van grote afstand te bestuderen (waarbij hij spaarzame observaties moet aanvullen met boude speculaties), maar doet dat nu als het ware vis-à-vis. Dankzij de reis is hij in staat een wetenschappelijke bestseller te publiceren. De duikboot, het geniale artefact, maakt een meer geavanceerde en betrouwbare vorm van wetenschapsbeoefening mogelijk, terwijl een nieuwe dimensie voor menselijke ervaring en mobiliteit ontsloten wordt.

Toch kunnen we niet zeggen dat de machines van Verne de betrokken wetenschappers (of de  mensheid als zodanig) bevrijden. Integendeel, De ontsluiting van een nieuwe dimensie voor menselijke mobiliteit, en uiteindelijk zelfs voor menselijke migratie en kolonisatie, leidt niet tot bevrijding, maar veeleer tot opsluiting in een comfortabel, maar celibatair en quasi-monastiek onderzoeksinstituut. Dit hangt ongetwijfeld samen met Verne's persoonlijke situatie. Evenals zijn helden leidt hij een comfortabele en weldoorvoed bestaan in een afgesloten ruimte. Zijn verbeelding maakt hem quasi-mobiel, maar uiteindelijk komen zijn helden terecht in een cel die structurele gelijkenis vertoont met de werkkamer, de camera obscura, de "grotwoning" waarin de workaholic Verne zelf zijn dagen slijt.

Enthousiasme is de basale attitude van waaruit Jules Verne het fenomeen wetenschap beschrijft. De wetenschapper verschijnt nadrukkelijk als held. Alleen wetenschappers zijn survivors onder moeilijke omstandigheden. Niet alleen hun moed en verbeeldingskracht worden geprezen, ook hun precisie en betrouwbaarheid. Avonturen van drie Russen en drie Engelsen (1872/1951) benadrukt de extreme nauwkeurigheid en nauwgezetheid die wetenschappers aan de dag weten te leggen en waarin zij, zelf onder extreme condities, weten te volharden. Wetenschappelijk onderzoek is met andere woorden een moreel beroep. Precisie, betrouwbaarheid en de bereidheid jezelf letterlijk weg te cijferen zijn belangrijke wetenschappelijke deugden. Toch gaat het bij Verne om meer dan enthousiasme alleen. Te gemakkelijk wordt de complexiteit van Verne's werk veronachtzaamd. Op de achtergrond spelen typische angsten een rol: verlatingsangst en claustrofobie, angsten voor monsters en ontploffingen, voor astronomische getallen, voor waanzin, maar vooral voor het volstrekt duistere, extreem koude, abiotische niets dat zich tot in het oneindige buiten onze comfortabele, maar kleine en kwetsbare leefwereld uitstrekt. Verne's werk beaamt het befaamde aforisme uit de Pensées van Pascal: "De eeuwige stilte van de oneindige ruimte beangstigt mij" ("Le silence éternel de ces espaces infinis m’effraie", Pensées 206 / 201; cf. Compère 1991). De mobiele machine is een huiselijke microkosmos, een tijdelijk verblijf, een uitgespaarde studeercel in een genadeloze, mensonvriendelijke omgeving. Bij Verne brengt de mens de natuur weliswaar grote schade toe (bijvoorbeeld door massaslachtingen aan te richten onder inmiddels bedreigde diersoorten), maar uiteindelijk is de natuur oppermachtig. En niet alleen onze natuurlijke omgeving is bedreigend. Op de achtergrond tekent de dreiging van massale, gewelddadige botsingen tussen concurrerende wereldmachten zich onmiskenbaar af. Hun machtswil zal zich van wetenschappelijke verworvenheden meester maken en hen aanwenden ten kwade. In Verne's romans zijn het de wetenschappers die er uiteindelijk in slagen gevoelens van nationale afgunst en competitie achter zich te laten en samen te werken. En in Face au drapeau weet een integere wetenschapper op het nippertje te voorkomen dat een superbom, ontwikkeld door een wetenschappelijk genie, in verkeerde handen valt. Deze diepe angst- en onrustgevoelens benadrukken niet alleen het belang van de maatschappelijke verantwoordelijkheid en morele integriteit van wetenschappers, maar markeren ook de ambivalentie die aan Verne's werk ten grondslag ligt.
 

Literatuur

 - G. Bachelard (1948) La terre et les rêveries de la volonté. Essai sur l'imagination des forces. Paris: Corti.
 - G. Bachelard (1938/1947) La formation de l'esprit scientifique. Contribution à une psychanalyse de la connaissance objective. Paris: Vrin.
  - M. Bakhtin (1988) “Forms of Time and of the Chronotope in the Novel”. In: The dialogic imagination. Four essays (6th ed.) [ed. M. Holquist, trans. C. Emerson and M. Holquist]. Austin and London: University of Texas Press, pp. 84-258.
 - G.J.P.J. Bolland (1918) Zu Goethe’s Faust. Leitfaden zur Einführung. Leiden: Adriani.
 - D. Compère (1991) Jules Verne Écrivain. Genève: Droz.
  - M. Foucault (1963) Naissance de la clinique: une archéologie du regard médical. Paris: Presses Universitaires de France. Vertaling: M. Foucault (1986) Geboorte van de kliniek: een archeologie van de medische blik. Nijmegen: Sun.
 - J.W. Goethe (1808/1971) Faust, der Tragödie I. Stuttgart: Reclam.
 - J.W. Goethe (1832/1971) Faust, der Tragödie II. Stuttgart: Reclam.
 - G.W.F. Hegel (1807/1970;1973) Phänomenologie des Geistes [Werke 3]. Frankfurt am Main: Suhrkamp.
- R.J. van Helsdingen (1964) C.G. Jung. Den Haag: Kruseman.
 - A.J. Ihde (1964) The development of modern chemistry. New York: Harper & Row.
 - B. Russell (1925/1958/1969) The ABC of relativity. London: Allen & Unwin
 - M. Shelley (1818/1968) "Frankenstein; or, the modern Prometheus". In P. Fairclough (ed.) Three Gothic Novels. Harmondsworth: Penguin.
 - J. Swift (1726/1967) "A voyage to Laputa, Balnibarbi, Glubbdubdrib, Luggnagg and Japan". In: Travels into several remota nations of the world ("Gulliver's Travels"). Harmondsworth: Penguin.
 - J. Verne (1863/1992) Vijf weken in een luchtballon. Ontdekkingsreis in de binnenlanden van Afrika. Amsterdam: de boekenrij.
 - J. Verne (1866) Reizen en lotgevallen van Kapitein Hatteras: de ijswoestijn. Rotterdam: Robbers.
 - J. Verne (1869/1870/1977) Vingt-mille lieues sous les mers [20.000 mijlen onder zee]. Paris: Hachette.
 - J. Verne (1877/1964) Hektor Servadac: de vulkaanbewoners. Amsterdam / Brussel: Elsevier.
 - J. Verne (1877/1993) Het zwarte goud. Amsterdam: De Boekerij.
 - J. Verne (1870) Autour de la lune. Paris: Livre de poche.
  - J. Verne (1886/1964) Robur de Veroveraar. Amsterdam / Brussel: Elsevier.
 - H. Zwart (1999) The truth of laughter: Rereading Luther as a contemporary of Rabelais. Dialogism. An International Journal of Bakhtin Studies, 1 (3), 52-77.