Inleiding in de Ethiek

1. Descriptief vs. prescriptief (of: normatief)

De meeste wetenschappen zijn descriptief: ze beschrijven (en verklaren) de feitelijke stand van zaken. Ethiek is daarentegen een normatieve (prescriptieve) wetenschap. Dat wil zeggen, de ethiek beschrijft niet hoe wij ons feitelijk gedragen of hoe politieke systemen feitelijk functioneren, maar geeft aan hoe wij ons behoren te gedragen. Het morele principe is als het ware het normatieve equivalent van de wetenschappelijke formule die op concrete situaties wordt toegepast. Om een voorbeeld te geven: de meteorologie is een descriptieve (en verklarende) wetenschap. Zij bestudeert bijvoorbeeld het gedrag van orkanen. Hoewel orkanen vaak een naam hebben zijn het geen personen (subjecten). We kunnen een orkaan moeilijk verwijten dat hij schade veroorzaakt. De orkaan is geen persoon, hij is niet toerekeningsvatbaar. We kunnen wel het gedrag van orkanen bestuderen, maar geen normatieve principes formuleren die aangeven hoe orkanen zich behoren te gedragen. Omgekeerd: wanneer we iemand (bijvoorbeeld onszelf) een verwijt maken, gaan we er in feite van uit dat de betrokkene wèl toerekeningsvatbaar zijn, anders heeft deze "taaldaad" (het verwijt) geen zin.

Om dit onderscheid nader te verhelderen is het van belang onderscheid te maken tussen handelen en gedrag. Een descriptieve wetenschap (zoals de psychologie) beschrijft (en verklaart) menselijk gedrag. Voorbeeld: een team van psychologen is geïnteresseerd in de vraag of er verband bestaat tussen materiële welvaart (inkomen) en altruïsme. In dat kader vergelijken zij twee condities met elkaar, namelijk een steekproef van mensen men een laag, en een steekproef van mensen met een hoog inkomen. Aan de hand van een vragenlijst (een altruïsme-schaal) wordt een altruïsme-score bepaald. Dit onderzoek wordt opgezet om twee theorieën met elkaar te vergelijken. Theorie A zegt dat welvaart een positief effect heeft op altruïsme. Wie over meer middelen beschikt en in staat is ruimschoots in zijn eigen behoeften te voorzien, zal eerder geneigd zijn met anderen te delen of zich hulpvaardig te gedragen. Theorie B zegt dat mensen juist wanneer zij zelf behoeftig zijn sneller geneigd zullen zijn tot opofferingsgezindheid en hulpvaardigheid. Object van onderzoek is in dit geval het feitelijke gedrag van mensen. Dit gedrag wordt door een aantal factoren beïnvloed of bepaald en het is de ambitie van de psychologie deze factoren (gedragsdeterminanten) op te sporen en in kaart te brengen. Filosofisch gesproken gaat de psychologie uit van de gedachte dat menselijk gedrag gedetermineerd is. Telkens wanneer psychologisch onderzoek bepaalde gedragsdeterminanten weet op te sporen, wordt haar grondbeginsel ("Menselijk gedrag is gedetermineerd") in feite bevestigd.

De ethiek daarentegen beschouwt datgene wat mensen doen, zeggen, nalaten, enzovoorts niet als gedrag, maar als handelen. Het grondbeginsel van de ethiek luidt dat mensen vrij zijn, dat wij verantwoordelijk zijn voor en aanspreekbaar zijn op ons handelen, dat wij accountable, toerekeningsvatbaar zijn, dat wij kritisch naar onszelf kunnen kijken, dat wij de mogelijkheid hebben onszelf te corrigeren, naar aanleiding van zelfkritiek of kritiek door anderen.

2. Zelfverhouding (de mens als moreel subject)

De mens heeft de mogelijkheid zich (kritisch) tot zichzelf te verhouding, zichzelf te bekritiseren (ethiek) of te bestuderen (psychologie) en dit is (tot op zekere hoogte) een unieke eigenschap die bij andere dieren niet of nauwelijks voorkomt. Het vermogen tot zelfverhouding stelt ons in beginsel in staat op bewuste wijze vorm te geven aan onszelf, verantwoordelijkheid te nemen voor ons eigen bestaan. Milieu-vervuiling (door de mens) is geen natuurverschijnsel. Naarmate wij ons bewust zijn van de gevolgen van ons handelen, hebben we in beginsel de mogelijkheid dit handelen bij te stellen. Dit is geen misplaatst superioriteitsgevoel, maar legt ons veeler bepaalde verplichtingen op: de plciht namelijk om onszelf op een verantwoordelijk ewijze te gedragen en rekening te houden met de belangen van anderen (inclusief toekomstige generaties) en de intrinsieke waarde van de natuur. In tegenstelling tot de andere levende wezens is de mens niet gebonden aan vastliggende, voorgeprogrammeerde gedragspatronen -althans dat stelt de ethiek. Wij kunnen afstand nemen van datgene wat ons gedrag feitelijk bepaalt en onze handelwijze doelbewust afstemmen op normen en doelstellingen die wij als redelijke wezens zelf kunne vaststellen. De vrijheid van de mens is het noodzakelijke postulaat (het synthetisch oordeel a priori) van de ethiek. Indien wij volstrekt gedetermineerd zouden zijn, zou ethiek geen zin hebben. Het vertrekpunt van de ethiek wordt gevormd door de verplichting die wij ervaren om ons leven in eigen beheer te nemen (we noemen dit: het geweten).

3. Ethische principes

De grondslag van de ethiek wordt gevormd door bepaalde principes, soms van zeer algemene (bijna tautologische aard):

De filosoof Kant formuleert de Gulden Regel als volgt:
Handel zo dat je kunt willen dat de maxime van jouw handeling een algemene wet wordt.
Een voorbeeld ter toelichitng. Neem de maxime "Een misdaad moet worden bestraft". De vraag is dan of deze maxime aan dit principe beantwoordt. Kan ik willen dat genoemde maxime een universele wet wordt, die ook voor mijzelf geldt en op mijzelf wordt toegepast als ik een misdrijf pleeg? Kan ik willen dat ik (in dat geval) bestraft wordt? Volgens Kant is dat het geval: een misdadiger heeft recht op straf. Wanneer we een misdadiger niet bestraffen, bijvoorbeeld omdat hij een ongelukkige jeugd heeft gehad, nemen we hem niet serieus als persoon, als autonoom subject, en dat is erger dan straffen, aldus Kant. We verklaren zijn gedrag in plaats van hem als subject te respecteren.

4. Een beknopte geschiedenis van de ethiek

4.1. De antieke ethiek

De antieke (Griekse en Romeinse) ethiek kende twee belangrijke ethische principes. Het eerste principe luidde: "Handel in overeenstemming met de natuur". In de medische ethiek betekende dit bijvoorbeeld, dat de arts terughoudendheid diende te betrachten. De natuur streeft van nature naar gezondheid en de arts is slechts een dienaar van de natuur ("minister naturae"). De natuur streeft naar harmonie en evenwicht, en gezondheid is maar één voorbeeld van een harmonische, evenwichtige toestand. Een tweede principe, nauw verwant aan het eerste, luidde: "Het goede is het midden ("meson") tussen twee kwaden, namelijk overschot ("hyperbool") en tekort ("ellips"). Voorbeelden:

Ellips - Meson - Hyperbool

Lafheid - Moed - Overmoed

Saaiheid - Geestigheid - Lachwekkendheid

Zuinigheid - Vrijgevigheid - Verkwisting

Hoewel de ethiek als wetenschap minder exact is dan de wiskunde, aldus Aristoteles, geeft de terminologie die hij gebruikt wel aan, dat zijn denkwijze in overeenstemming was met de wiskunde van zijn tijd. Dit gold ook voor de wijze waarop hij het begrip "rechtvaardigheid" uitwerkte. Hij deed dat namelijk met behulp van het proportionaliteitsbegrip (leer van de verhoudingen). Een voorbeeld van het proportionaliteitsdenken is de maxime: Loon naar werken. Een ander (modern) voorbeeld is het grondbeginsel van de marxistische ethiek: "Iedereen draagt bij naar vermogen en ontvangt naar behoefte" (in de ideale samenleving welteverstaan).

4. 2. Middeleeuwse ethiek

De belangrijkste woordvoerder van de middeleeuwse ethiek is Thomas van Aquino (1225-1274). Zijn ethiek bouwt voort op het werk van Aristoteles. Er is in zijn denken sprake van een min of meer vanzelfsprekende overgang van "zijn" (het desscriptieve niveau) naar "behoren" (het prescriptieve niveau). Alles wat leeft streeft naar zelfbehoud. Daarom dient men het leven te respecteren. De mens streeft van nature naar kennis. Daarom is kennisverwerving een goed. Het lichaam streeft van nature naar gezondheid. Daarom is gezondheid ook in moreel opzicht waardevol. De mens is van nature een sociaal wezen. Daarom is het ontwikkelen van sociale verbanden nastrevenswaardig. Thomas van Aquino was, evenals de meeste andere middeleeuwse auteurs die zich met ethiek bezighielden, een geestelijke (hij was priester en lid van de Orde der Dominicanen). De praktische casuïstiek die we in zijn werk aantreffen, is dan ook vaak van geestelijke (niet-wereldlijke) aard. Moet ik mij bij een "actieve" orde aansluiten (actief in de gezondheidszorg e.d.) of bij een "contemplatieve" orde (waarvan de leden hun leven wijden aan eredienst, reflectie en gebed)? In Thomas' optiek was het niet mogelijk eigendom te verwerven: de mens heeft de dingen slechts in beheer - alles komt toe aan God. Er bestond naast deze min of meer geestelijke ethiek ook een wereldlijke ethiek (gedragscodes voor het handelen in praktische situaties), maar die werden vaak niet op schrift gesteld en zelden op wetenschappelijk-systematische wijze uitgewerkt.

4.3. De vroeg-moderne tijd: rekenkundige ethiek

In de vroeg-moderne tijd groeide de behoefte aan een wereldlijke, praktische moraal. In feite kunnen twee stijlen van ethiekbeoefening worden onderscheiden: de meetkundige en de rekenkundige ethiek. Terwijl de "meetkundige" ethiek uit ethische principes op deductieve wijze rigide handelingsaanwijzingen afleidt, is de "rekenkundige" ethiek minder principieel van aard en geïnteresseerd was in alledaagse situaties (realistische problemen). Haar principes zijn tot op zekere hoogte flexibel, zij gelden niet absoluut. De meetkundige ethiek trekt zich als het ware terug in een abstracte, ideale wereld en argumenteert in termen van ideale situaties. Zij schrijft voor wat wij behoren te doen (in rigoureuze zin), maar toont vaak opvallend weinig interesse en begrip voor de feitelijke omstandigheden waaronder individuen in het werkelijke leven moeten handelen. De rekenkundige ethiek daarentegen richt zich bij voorkeur op concrete, realistische problemen. De voor- en nadelen van handelingsalternatieven worden opgesomd en tegen elkaar afgewogen. Aan het begin van de moderne tijd krijgt de rekenkundige benadering een krachtige impuls wanneer nieuwe handelingspraktijken (economische ontwikkelingen, ontdekkingsreizen, wetenschap) geheel nieuwe gewetensvragen met zich meebrengen. Vooral de orde der Jezuïeten, die in de 16e eeuw ontstaat en zich bij voorkeur "in de wereld" begeeft in plaats van zich in kloostercomplexen terug te trekken, is uiterst bedreven in deze rekenkundige, casuïstische ethiek. De rekenkundige ethiek is bereid compromissen te sluiten met de realiteit. Een en ander resulteerde in een immense hoeveelheid praktijkgerichte ethische literatuur.

4.4. Een paradigma-wisseling: de opkomst van de meetkundige ethiek

In 1656 echter slaagt de geniale jansenist Blaise Pascal erin deze flexibele, wereldse methode belachelijk te maken en in diskrediet te brengen. Jansenisten (leden van een kloosterorde die met de Jezuïeten concurreerde) koesterden een diepe afkeer en aversie jegens de wereld in het algemeen en Jezuïeten in het bijzonder. Het jansenistisch ideaal is een extreem rigoureuze moraal, zo verheven en devoot, en zozeer in tegenspraak met de "natuurlijke inclinaties" van de mens, dat zij slechts door een beperkt aantal uitverkorenen in praktijk kan worden gebracht. Pascal boekt succes. Vanaf dat moment wint de abstracte, deductief-argumenterende benadering weer terrein. Tot diep in de twintigste eeuw is belangstelling in de ethiek voor gewone morele problemen en conflicten minimaal. De ethiek van Kant, bijvoorbeeld, is rigoureus en abstract. Concrete voorbeelden (ethische problemen) komen in zijn ethische geschriften nauwelijks voor.

4.5. De actuele situatie

Halverwege de 20e eeuw keert het tij. Er ontstaat in de ethiek meer belangstelling voor praktische vraagstukken. Dit geldt met name ook voor de wetenschapsethiek. De meeste aandacht gaat uit naar ethische problemen in de medische wetenschap. Experimenten in concentratiekampen gedurende de Tweede Wereldoorlog (zonder instemming van de betrokkenen en in de regel met fatale gevolgen) benadrukken het belang van het autonomie (of "informed consent") beginsel. In de ethische literatuur uit de jaren zestig wordt een situationele of toegepaste ethiek bepleit die, op een flexibele wijze, bepaalde principes (zoals het autonomiebeginsel en het schadebeginsel) toepast op morele dilemma's in de gezondheidszorg. Later ontstaan andere vormen van dierethiek: onder meer de dierethiek en de milieu-ethiek. In Dierexperimentencommissies worden onderzoeksvoorstellen waarbij proefdieren betrokken zijn op hun morele merites beoordeeld door deskundigen. Zij maken een afweging tussen maatschappelijke relevantie van het onderzoek en ongerief voor het proefdier. Ook streven zij naar Vermindering (van het aantal proefdieren), Verfijning van het onderzoek (minimalisering van het ongerief) en Vervanging van het proefdier (dat wil zeggen vervanging van onderzoek in vivo door onderzoek in vitro of in silico, oftewel computersimulatie). De milieu-ethiek probeert een antropocentrische attitude door een meer biocentrische attitude (grondhouding) te vervangen.

Principes van de wetenchapsethiek

De "categorische impratief" (letterlijk: onvoorwaardelijk gebod) van Kant hebben we tijdens de vorige bijeenkomst al besproken:

Handel zo dat je de ander niet alleen als middel (object) gebruikt, maar altijd ook als persoon (subject) respecteert.
Het toestemmingsbeginsel, aldus Kant, is het voornaamste onderscheid tussen slavernij en arbeid, tussen erotiek en seksueel misbruik, tussen respect en instrumentalisering. De ethiek beschouwt de mens als subject, als persoon. Wanneer onderzoekers (bijvoorbeeld psychologen) onderzoek doen naar het fenomeen altruïsme, benaderen zij hun proefpesonen op twee manieren. In eerste instantie als persoon - ze vragen de betrokkene om toestemming. Vervolgens als object - namelijk wanneer ze het gedrag van de betrokkenen onder bepaalde experimentele condities observeren. Gebruik van proefpersonen zonder hun medeweten of instemming is immoreel, aldus Kant. Proefpersonen moeten over opzet en bedoeling van het onderzoek worden geïnformeerd. Vervolgens wordt de proefpersonen gevraasgd of zij bereid zijn aan dit experiment deel te nemen (bijvoorbeeld tegen een bepaalde vergoeding). We spreken in dit geval van het beginsel van informed consent - een belangrijk principe van de ethiek van wetenschappelijk onderzoek. Wie de beoogde proefpersoon om toestemming vraagt, beschouwt hem of haar als vrij (autonoom). Kennelijk gaan we ervan uit dat mensen keuzen kunnen maken. Op het moment dat de beoogde proefpersoon toestemming verleent en daadwerkelijk aan het experiment deelneemt, verandert hij / zij van subject in object. De onderzoeker is dan niet langer in de mens als persoon, maar in de door dit individu onder bepaalde omstandigheden vertoonde gedrag geïnteresseerd. Worden de proefpersonen na afloop van het experiment voor hun bijdrage bedankt, dan zijn ze weer "subject" geworden.
Handel zo dat je de ander niet alleen als middel, maar altijd ook als doel in zichzelf (dat wil zeggen als persoon) beschouwt.
In deze categorische imperatief van Kant ligt de nadruk op de woorden "niet alleen" en "altijd ook". Kant beseft dat we elkaar nodig hebben, dat we gebruik maken van elkaars tijd, diensten, arbeidskracht, intelligentie, enzovoorts. Een werkgever beschouwt een werknemer in zekere zin als middel. Ook de proefpersoon is een middel voor de onderzoeker om kennis te verwerven. Hoe kunnen onderzoekers hun proefpersonen als middel gebruiken en toch als persoon respecteren? Antwoord: door hen om toestemming te vragen. Dat is het verschil tussen arbeid en slavernij. Arbeid is gebaseerd op een contract tussen autonome personen, berust op wederzijdse instemming, op "informed consent". In het geval van slavernij is daarvan geen sprake. Uiteraard moeten de condities zodanig zijn dat de betrokkene daadwerkelijk in staat is toestemming te geven of te onthouden. Anders wordt het toestemmingsbeginsel ideologisch: een fraaie formule die feitelijke dwangpraktijken goedpraat. Het gaat om vrijwillige instemming, op grond van goede informatie.

De ethiek van Kant is een voorbeeld van een deontologische ethiek: het oordeel heeft betrekking op de handeling als zodanig. Daarnaast is een consequentionalistische benadering van morele vraagstukken mogelijk. Zoals de naam al zegt hangt het oordeel in dit geval af van de gevolgen van de handeling. Er wordt een morele balans, een winst-en-verlies-rekening opgemaakt. De befaamde stelling "Het doel heiligt de middelen" drukt een consequentionalistische gedachtengang uit. Een bekend voorbeeld van consequentionalisme is het utilisme, met als voornaamste stelregel: "Handel zo dat je zoveel mogelijk geluk voor zoveel mogelijk mensen realiseert". In de hedendaagse wetenschapsethiek speelt het consequentionalisme vooral in de vorm van het schadebeginsel een rol. Wegen de voordelen (van het experiment, bijvoorbeeld voor toekomstige patiënten) op tegen de schade die (aan proefpersonen) wordt berokkend? Een extreem voorbeeld van consequentionalisme is de ethiek van het Maoïsme: "Het is legitiem leven en welzijn van de huidige generatie op te offeren aan het heil van toekomstige generaties".

Complementariteit

Eeuwenlang hebben filosofen gediscussieerd over de vraag of de mens vrij is of gedetermineerd. We hebben weliswaar de ervaring van vrijheid, maar dat zou een illusie kunnen zijn. Zijn wij onderworpen aan natuurwetten, of kunnen we zelf verantwoordelijkheid nemen voor wat we doen? Kant stelt vast dat deze discussie in feite eindeloos kan worden voortgezet. Of we nu uitgaan van de grondgedachte (het synthetisch oordeel apriori) dat de mens vrij is of van de grondgedachte (het synthetisch oordeel apriori) dat de mens gedetermineerd is, in beide gevallen is het mogelijk een consistente argumentatie op te bouwen. Sterker nog, het postulaat dat we kiezen, bepaalt in feite wat we zullen zien. Gaan we uit van de gedachte dat de mens gedetermineerd is, dan zullen we vooral gedetermineerdheid zien. Dan ontwerpen we een onderzoeksdesign en een onderzoeksinstrument (zoals een psychologische test) waarin deze grondgedachte al bij voorbaat tot uitdrukking komt. Gaan we ervan uit dat de mens vrij is, dan zullen we vooral vrijheid zien. Dan zijn we vooral geïntersseerd in situaties waarin zich de vrijheid van de mens openbaart.

Beide grondgedachten zijn in feite legitiem. De vraag of de mens vrij of gedetermineerd is, is volgens Kant een niet te beantwoorden vraag. We stellen onszelf we deze vraag, maar zijn niet in staat haar te beantwoorden. De psychologie kan weliswaar gedragsdeterminanten in kaart brengen, maar de vraag of de mens uiteindelijk gedetermineerd is of niet, kan zij niet beantwoorden. De psychologie bestudeert menselijk gedrag voor zover dit gedrag gedetermineerd is. Manifestaties van vrijheid, indien die zich voordoen, vallen buiten het blikveld van de psychologie. Vrijheid kan niet experimenteel bewezen worden (evenmin als het ontbreken ervan). Zonder de gedachte dat menselijk gedrag gedetermineerd is, heeft psychologie geen zin. Dit postulaat maakt de psychologie als wetenschap mogelijk, maar geeft tevens de beperktheid van deze wetenschap aan. De psychologie heeft weliswaar het recht uitspraken te doen over factoren die op altruïstisch gedrag van invloed zijn, maar de vraag of de mens werkelijk gedetermineerd is kan zij niet beantworden, zover reikt haar spreekbevoegdheid of oordeelsbevoegdheid niet. In een laboratorium wordt vrijheid niet waargenomen, maar wellicht is dit een effect van de laboratoriumsituatie zelf.

Zonder de gedachte dat de mens vrij is heeft ethiek geen zin. Als alles wat we zijn en doen gedetermineerd en voorgeprogrammeerd is, hoeven we onszelf geen verwijten meer te maken, of beter gezegd: dan is ook het zelfverwijt (de gewetenservaring) op te vatten als geconditioneerd gedrag. De gedachte dat de mens vrij is maakt de ethiek mogelijk, maar dit betekent niet dat de psychologie onmogellijk of onzinnig zou zijn.

In dit geval spreken we van complementariteit. Twee principes, die elkaar strikt genomen tegenspreken, zijn toch allebei legitiem. Ze liggen ten grondslag aan op zichzelf zinvolle en legitieme, maar in hun draagwijdte beperkte, wetenschappelijke praktijken.