FNWI University of Nijmegen 12 oktober 2002, e-mail
 
 Filosofie 1
Inleiding in de Filosofie en de Ethiek
Voor Studenten Natuurkunde, Scheikunde, Wiskunde,  Informatica, Algemene Natuurwetenschappen
 Zesde bijeenkomst:
Wetenschappelijk publiceren
8 oktober 2002

Het groene boekje

In 2000 publiceerde de KNAW een brochure getiteld: Wetenschappelijk onderzoek: dilemma's en verleidingen. Naast traditionele onderwerpen inzake wetenschapsethiek (zoals vertrouwen, bedrog, zorgvuldigheid, collegialiteit enopdrachtonderzoek) schenkt deze brochure betrekkelijk veel aandacht aan morele problemen die te maken hebben met auteurschap en wetenschappelijk publiceren. Dat is terecht. Publiceren is een belangrijk onderdeel van de wetenschappelijke onderzoekspraktijk, maar wordt vaak veronachtzaamd. In de opleiding van onderzoekers ligt de nadruk doorgaans op methodologische scholing, maar bestaat in de regel betrekkelijk weinig aandacht voor de publikatiefase van het onderzoekstraject. De brochure van de KNAW kiest bovendien voor een casuïstische benadering (een bottom-up benadering). Ook daarin zullen wij de KNAW volgen. Minder geslaagd is het historische "verhaal" dat in deze brochure (en andere, vergelijkbare documenten) wordt verteld. Er wordt (hier en elders) een contrast geschetst tussen "toen" en "nu". De suggestie wordt gewekt dat tot voor kort wetenschappelijk publiceren onproblematisch was en dat de problemen inzake distributie en uitwisseling van wetenschappelijke resultaten van recente datum zijn. Niets is minder waar. Kwesties waar wetenschappers anno nu mee kampen, zoals competitie, plagiaat, beperkte zeggenschap over publicatie, enzovoort, zijn in feite zo oud als de wetenschap zelf. Dit neemt niet weg dat de condities waaronder het wetenschappelijk publiceren plaatsvindt aan verandering onderhevig zijn. Om dit duidelijk te maken zullen we in kort bestek ingaan op de geschiedenis van (de morele aspecten van) wetenschappelijk publiceren.

In den beginne

Omstreeks 400 v. Chr. Vond zoals bekend de "eerste wetenschappelijke revolutie" plaats. Wetenschappers organiseerden zich in scholen, in de regel gesticht door een min of meer legendarisch genie dat zelf geen geschreven bronnen had nagelaten. Leerlingen verzamelden zich rond een leraar. De betreffende scholen waren in een hevige concurrentiestrijd met elkaar verwikkeld. Ze wilden (bij voorkeur rijke) leerlingen recruteren. Aan publiceren hadden wetenschappers aanvankelijk weinig behoefte. "Secrecy" was eerder regel dan uitzondering. 

Er is een tijd geweest dat wetenschappers niet schreven, weigerden te schrijven. Thales en Pythagoras, grondleggers van de Griekse wiskunde, lieten geen geschreven bronnen na -- waarschijnlijk hebben zij niets geschreven. Toch was het schrift, het gebruik van inscripties en symbolen, toen al eeuwenlang in zwang. Men leerde teksten vaak van buiten. Literacy was een vaardigheid van bureaucraten.

Wetenschappers gaven de voorkeur aan mondelinge communicatie, aan orale kennisoverdracht. De eerste wetenschappelijke inscripties, de nagelaten fragmenten van Griekse natuurfilosofen, zijn opaak en weinig communicatief. Ze bevinden zich op de grens van begrijpelijkheid en onbegrijpelijkheid, van spreken en zwijgen, van communicatie en geheimhouding. De betrokken filosofen schiepen er behagen in, onbegrepen te blijven. Niet schrijven, of in het beste geval esoterisch schrijven, was geen onmacht, maar een bewuste keuze. Men weigerde het godsgeschenk, het geschreven woord. Waarom? Vanwaar dit onbehagen inzake het geschreven woord?

Wetenschap was aanvankelijk een elitaire praktijk. Kennis was voorbehouden aan ingewijden. De meester had er weinig behoefte aan zijn controle te verliezen over woorden en gedachten. Wetenschappers wilden zich juist onderscheiden van de `massa'. In wetenschappelijke opleidingen lag de nadruk bovendien op vaardigheidstraining, niet op kennisoverdracht. Wie bij een wetenschapper in de leer ging, leerde zijn geheugen, zijn ogen te gebruiken, leerde discussiëren en argumenteren. De leer van de meester omvatte vaak niet meer dan een beperkt aantal grondprincipes, die men gemakkelijk van buiten kon leren. De leerling leerde vervolgens door oefening, hoe deze principes op concrete problemen en verschijnselen konden worden toegepast.

De eerste wetenschappelijke auteur, in een voor ons herkenbare zin, was Anaxagoras van Clazomenae (500-428 v.Chr.). Hoewel van goede komaf, weigerde hij zich met bestuurlijke of politieke kwesties in te laten. Hij schreef de eerste wetenschappelijke bestseller, het boek Peri physeos oftewel `Over de natuur', dat men voor één drachme kon kopen op de markt te Athene, zoals in de Apologie van Plato wordt vermeld. Het kwam de auteur duur te staan. Wie publiceert, raakt zoals gezegd de controle over zijn eigen woorden kwijt. Zijn teksten circuleerden nog toen zijn gedachten al in ongenade waren gevallen en geheimhouding de voorkeur zou hebben verdiend -- zoals de gedachte dat de zon een gloeiende steenklomp is en de maan haar licht van de zon ontvangt. Anaxagoras werd verbannen -- dan had hij zijn gedachten maar niet schriftelijk moeten vastleggen. De vraag `Wel of niet schrijven?' was in die tijd onder wetenschappers dan ook een heikele kwestie. De reserve, de weerstand tegen het geschreven woord was groot. Niet alleen vanwege de juridische risico's die auteurs liepen zodra ze hun woorden in schriftelijke vorm op de markt brachten. De vraag was ook of de wetenschap zelf zich daar wel voor leende, of het medium schrift niet de vulgarisatie van het weten zou bevorderen. 

In zijn dialoog Phaedrus heeft Plato deze weerstand tegen het schrift onder woorden gebracht. Hij legt zijn argumenten in de mond van Socrates, nóg een voorbeeld van een wetenschapper die weigerde te schrijven en toch school maakte, terwijl veel van zijn schrijvende tijdgenoten vergeten werden -- Publish or perish? Phaedrus was een jongeman -- wij zouden zeggen een student -- die
een tekst van een destijds zeer vermaarde (maar spoedig vergeten) auteur van buiten leerde. Boeken waren toentertijd schaars. Ze waren er niet om gelezen, maar om van buiten geleerd te worden. Lezen wilde zeggen: van buiten leren. Wanneer hij Socrates tegen het lijf loopt, probeert hij het boek snel te verstoppen, want hij voelt zich betrapt -- echte studenten, echte wetenschappers lezen immers niet. Maar Socrates heeft hem door. Wat heb je daar? Ah, een boek! Socrates veinst belangstelling. Phaedrus begint te lezen. In zijn geestige commentaar laat Socrates vervolgens weinig heel van de tekst. Zijn voornaamste bezwaar aan het adres van de auteur is, dat hij een auteur is, dat hij over een onderwerp schrijft in plaats van over dat onderwerp te discussiëren, zoals het een echte wetenschapper betaamt. Een echte wetenschapper is geen auteur. Wat waren Socrates' bezwaren? 

 De auteur als autoriteit

In de eerste plaats: het geschreven woord maakt lui. Wie op boeken, op geschreven teksten vertrouwt, verwaarloost zijn cognitieve vaardigheden en zal bijvoorbeeld nalaten zijn geheugen te trainen. Hij wordt afhankelijk van boeken, hij wordt een slaaf. Hij ontneemt zichzelf het recht de tekst, de auteur die aan het woord is, met kritische vragen te onderbreken. Voor Socrates, oftewel Plato, is filosofie een herenwetenschap. De tekst dwingt de lezer in een passieve rol, een slavenrol. Lezers kunnen niet om toelichting vragen, ze kunnen geen tegenwerpingen plaatsen -- en die positie is een heer onwaardig. Een tekst wekt steeds de indruk volkomen helder en overtuigend te zijn, verzucht Socrates, maar zodra men de tekst een vraag stelt doet hij er het zwijgen toe, of herhaalt nog maar eens wat er al staat. Het levende woord daarentegen is in staat en bereid zichzelf te verdedigen. Echte wetenschap is dialectisch, of met een wat moderner woord: interactief. Echte wetenschap is een kwestie van vraag en antwoord, van tegenwerping en repliek. Een geschreven tekst is slechts een afspiegeling van wat in een echt wetenschappelijk gesprek gebeurt. Lezen en schrijven zijn bovendien activiteiten die het denken vertragen. Destijds las men langzaam en hardop -- men had weinig oefening en spelde de teksten die men las. De woorden hadden nog gewicht, diagonaal lezen bestond nog niet. Lezen doet geen recht aan de snelheid en flexibiliteit van het denken. De aandacht verschuift bovendien van de kwestie die eigenlijk aan de orde is naar de vraag wat auteur a, b of c van deze kwestie vindt. Vroeg of laat wordt de auteur een autoriteit waaraan de lezer zich onderwerpt. Wetenschap is dan niet langer de herenwetenschap die Plato voor ogen stond. De opinie (Grieks: doxa) van de auteur wordt dan het onderwerp van onderzoek. Auteurs worden autoriteiten, hun opinies krijgen de status van orthodoxie. Een moderne echo van deze gedachte kan bij Martin Heidegger worden aangetroffen. Dat van vroege denkers zoals Anaximander, Parmenides en Herakleitos zo weinig teksten beschikbaar zijn, komt niet zozeer omdat van hun werk slechts enkele fragmenten bewaard bleven, aldus Heidegger, maar vooral omdat de omvang van hun werk zo gering was. Veel schrijven is een kenmerk van latere auteurs, die gaandeweg steeds meer pagina's nodig hebben. Kenmerkend voor het vroege Griekse denken daarentegen was `das textlich Wenige des Einfachen' (1992, pp. 9, 12). Na Socrates werd het denken literatuur: `Das Denken ging in die Literatur ein' (1954, p. 52). Vanaf dat moment is het echte denken in feite ontheemd -- ook Heidegger ontkwam er niet aan veel te schrijven.

De tekst van Plato lijdt aan wat Karl-Otto Apel (1973) een 'performatieve tegenspraak' heeft genoemd. Om de legitimiteit van het geschreven woord aan te vechten maakt hij zelf van dit medium gebruik. Om uit te leggen waarom een echte wetenschapper geen auteur kan zijn, wordt hij zelf auteur. Hij schrijft een tekst om het fenomeen geschreven tekst te bekritiseren. Dat lijkt ongeloofwaardig en inconsistent. Plato ondergraaft zijn eigen positie. Waarom schreef hij eigenlijk? Wanneer we deze vraag net iets anders formuleren, blijkt de oplossing van deze paradox eenvoudig: voor wie schreef hij eigenlijk?

Evenals veel andere wetenschappers (toen en nu) beoefende Plato twee genres. Wanneer hij zich tot zijn medewetenschappers of zijn studenten richtte, volhardde hij in zijn weigering van het geschreven woord en gaf hij de voorkeur aan het mondelinge gesprek, aan interactie en dialectiek. Zijn geschreven teksten waren enkel voor de buitenwacht bestemd. Het geschreven woord -- zijn actio in distans -- was voor hem een genre van secundair belang, een afspiegeling van wat wetenschap eigenlijk is. Om deelgenoot te worden van echte wetenschap, moest men toetreden tot Plato's school. Binnen de muren van zijn academie maakten de literaire geestigheden van zijn Dialogen plaats voor echte, op wiskunde gebaseerde wetenschap. Zijn Dialogen waren een concessie aan het oningewijde publiek, bedoeld om de interesse te stimuleren en concurrenten te ridiculiseren. Ook Pythagoras verzorgde, naast zijn colleges voor studenten, eenmaal per week voordrachten voor een breder publiek. Deze gewoonte van wetenschappers om twee genres te beoefenen is van alle tijden. Het artikel waarin Watson en Crick in 1953 de structuur van DNA beschrijven, was alleen voor medewetenschappers bedoeld. Wie dit artikel wilde lezen moest over de nodige wetenschappelijke kennis beschikken, moest een exacte universitaire opleiding hebben genoten. Vijftien jaar later publiceerde Watson het boek The Double Helix, waarin de geschiedenis van de ontdekking wordt beschreven. Een geestig, anekdotisch boek, toegankelijk voor iedere lezer die niet aan wetenschappelijk analfabetisme lijdt. Men hoeft geen wetenschapper te zijn om dit boek te appreciëren. Het is een tekst die men voor zijn plezier kan lezen - en dat kan van wetenschappelijke artikelen (zoals dat van Watson en Crick uit 1953) niet worden gezegd. Wetenschappelijke artikelen vormen een eigen genre: compact, onleesbaar voor wie niet vertrouwd is met de gebezigde wetenschappelijke nomenclatuur, de natuurkundige of mathematische symbolen, de codes en getallen. Men kan de Dialogen van Plato vergelijken met de columns die Vincent Icke met enige regelmaat in NRC Handelsblad publiceert. Ze zijn geestig en retorisch, maar bevatten zelden formules of wetenschappelijke symbolen. Ickes wetenschappelijke output daarentegen bevat meer mathematische symbolen en formules dan gewone-mensentaal (en is bovendien in academisch Engels geschreven).

Zo was het in feite ook met Plato. Hij beschouwde het schrijven van teksten als een vorm van vrijetijdsbesteding, van ontspanning. Hij schreef zijn geestige, literaire, retorische dialogen voor zijn plezier. Niet zelden geeft hij in deze teksten de voorkeur aan een verhaaltje of een anekdote boven een wetenschappelijk argument. De geënsceneerde discussies zijn komisch, maar zelden overtuigend. In de academie ging hij anders te werk. Daar werden geen verhalen verteld, daar hield men zich niet bezig met lectuur, maar met definities en argumenten, met hogere wiskunde. De academie verzorgde geen alfa- maar een bèta-opleiding. De dialogen waren bedoeld als propedeuse, voor beginnende studenten zoals Phaedrus, die nog in de echte wetenschap, de herenwetenschap moesten worden ingevoerd.

Van zijn leerling Aristoteles zijn niet de dialogen, maar juist de collegedictaten bewaard gebleven. Volgelingen van Aristoteles redigeerden dit  materiaal tot "boeken". Hij werd de meest succesvolle auteur aller tijden. Zijn werk was maatgevend voor het onderzoek van latere generaties. Onderzoek doen betekende eeuwenlang: Aristoteles lezen en becommentariëren, een toestand die voortduurde tot diep in de zeventiende eeuw. In de middeleeuwen ontstond de universiteit, als opvolger van de scholen" uit de oudheid". Teksten die door wetenschappers werden geschreven, hadden de vorm van een "commentaar" - op Aristoteles en andere autoriteiten. Wie bijvoorbeeld geneeskunde ging studeren, leerde Aristoteles (in latijnse vertaling) of Galenus lezen. Anatomisch onderzoek was smerig en in moreel opzicht suspect werk - boeken lezen ging met minder risico's gepaard. Voor zover ze al plaatsvonden vormden anatomische lessen de "plaatjes" bij het boek. Voornaamste bron van kennis was en bleef de tekst.

In de zeventiende eeuw vond de "tweede wetenschappelijke revolutie" plaats. Buiten de universiteit ontwikkelde zich(aanvankelijk kleinschalig en informeel) een nieuwe onderzoekspraktijk. Met behulp van meetinstrumenten (microscoop, telescoop, thermometer, barometer, etc.) ging men (natuurwetenschappelijk) onderzoek verrichten. De nadruk verschoof van woorden naar getallen. Waarnemen werd meten. Men probeerde de relatie tussen series getallen uit de drukken in de vorm van wiskundige vergelijkingen: y = f (x). De wetenschappelijke output bestond niet langer uit dikke boeken met commentaren op Aristoteles of andere autoriteiten, maar uit korte onderzoeksverslagen. Deze verslagen circuleerden in eerste instantie in de vorm van brieven. Sommige zeer actieve correspondenten (zoals Oldenburg of Mersenne) speelden een belangrijke rol bij informatie-uitwisseling tussen wetenschappers. Die informele wijze van communiceren leidde echter tot een lange reeks conflicten over prioriteit en plagiaat. Dat was de voornaamste reden waarom in 1665 de eerste twee tijdschriften werden opgericht (waaronder de Philosophical Transactions van de Royal Society). Publicatie in een tijdschrift had een belangrijke symbolische waarde: erkenning van intellectuele prestaties. Van selectie, kwaliteitsbeoordeling of specialisatie was aanvankelijk nauwelijks sprake, dat waren functies die het tijdschrift pas veel later ging vervullen. Na een trage start beleefde het tijdschrift een periode van exponentiële groei, die voortduurt tot in onze tijd. 

Voor Newton en andere vooraanstaande wetenschappers uit de zeventiende eeuw waspubliceren een groot probleem. Newton was van nature gevoelig en kon de kritiek op zijn artikelen over optica niet goed verdragen. Hij besloot voortaan te wachten met publiceren totdat hij helemaal zeker was van zijn zaak. Over zijn theorie van de zwaartekracht publiceerde hij een omvangrijk boekwerk. Waar het de infinitesimaalrekening betreft wachtte hij echter te lang. Leibniz was hem voor.

Gelijktijdigheid (Simultaneity)

Wetenschappers hebben in hun publikatiebeleid te maken met het verschijnsel "simultaneity". Het komt vaak voor dat verschillende onderzoekers, min of meer onafhankelijk van elkaar en min of meer op hetzelfde tijdstip, hetzelfde ontdekken (Newton en Leibniz, Darwin en Wallace, etc.). En het kan verschillende oorzaken hebben, zoals: de betrokkenen maken gebruik van dezelfde informele informatiecircuits en komen daardoor min of meer op hetzelfde moment op hetzelfde idee. Of ze lezen dezelfde publikaties over eerder onderzoek en werken (zonder dat van elkaar te weten) verder in dezelfde lijn. Maar het kan ook een kwestie van "Zeitgeist" zijn: sommige ontdekkingen hangen als het ware in de lucht. De wens om prioriteitsconflicten ten gevolge van "gelijktijdigheid" te voorkomen of te beslechten, was een belangrijke, waarschijnlijk zelfs de voornaamste reden om over te gaan tot de oprichting van wetenschappelijke tijdschriften. Behoefte aan informatieuitwisseling en kwaliteitscontrole speelde een rol, maar was toch van ondergeschikt belang. In feite was de groep onderzoekers zo klein en overzichtelijk, dat men met informele communicatie en beoordeling (circulerende brieven, mondelinge presentaties) had kunnen volstaan.

Scientometrie

De scientometrie is de wetenschap die kwantitatief onderzoek doet naar de wijze waarop wetenschappers publiceren en communiceren. Deze discipline werd in 1963 geïnitieerd door De Solla Price met zijn boek Little science, big science. Wetenschap heeft de neiging exponentieel te groeien, aldus De Solla Price, met een verdubbelingstijd van 10 a 15 jaar. Een van de kenmerken van wetenschap, aldus De Solla Price, is wat hij immediacy noemt: "80 to 90 percent of all the scientists that have ever lived are alive now", zo luidt een van de meest geciteerde zinnen uit zijn boek (1963, p. 1). In 1665 waren er 2 tijdschriften, omstreeks 1800 steeg het aantal tot 100, in 1850 waren het er al 1.000, in 1900 10.000, in 1960 100.000. Ook het aantal auteurs per artikel werd door hem in kaart gebracht. In 1900 werd ruim 80% van de artikelen geschreven door 1 auteur, ruim 25% door 2 auteurs. In 1940 werd nog maar 70% van de artikelen door 1 auteur geschreven, in 1960 40%. De curve daalt nadien dramatisch. Het aantal artikelen geschreven door meer auteurs (multiple authorship) neemt snel toe. In de hoge energie-fysica (die gebruik maakt van uiterst kostbare apparatuur) zijn publikaties met meer dan 100 auteurs (in alfabetische volgorde) gewoon. Deze ontwikkelingen wijzen op toenemende anonimisering van de auteur. De filosoof Foucault voorspelde al de "verdwijning", de "dood" van de auteur.

Volgens De Solla Price geldt in de wetenschap bovendien, net als in de economie, de Wet van Pareto. Naar een beperkt aantal artikelen wordt zeer vaak verwezen, naar een groot aantal artikelen zelden. Pareto gebruikte hiervoor de verhouding 80 : 20. 80 % van de verwijzingen verwijzen naar 20 % van het totaal aantal publikaties. 20 % van de auteurs of onderzoeksgroepen op een bepaald gebied nemen 80 % van de output voor hun rekening. Etc. Volgens andere onderzoekers (zoals Eugene Garfield) ligt deze verdeling zelfs nog scherper (in het voordeel van de "elite" wel te verstaan).

Robert Merton wees bovendien op het zogeheten Mattheüs-effect: "Aan wie heeft, zal gegeven worden, en wel in overvloed; maar wie niet heeft, hem zal nog ontnomen worden, zelfs wat hij heeft" (Mt 13:12). Een klein aantal publikaties duikt steeds weer op in literatuurlijsten. Er wordt zeer vaak naar verwezen, ook door auteurs die deze publikaties niet zelf gelezen hebben. Deze succesvolle auteurs zijn erin geslaagd hun naam te verbinden met een wet, theorie, concept, getal of formule. Naar de meeste publicaties wordt zelden verwezen en na korte tijd zelfs helemaal niet meer. Dit benadrukt nog eens het belang van intellectuele prioriteit. Wie als eerste een bepaald onderzoeksresultaat in een vooraanstaand tijdschrift publiceert, loopt kans tot die kleine elite van veel-geciteerde auteurs te gaan behoren. Wetenschappelijk onderzoek heeft bovendien sinds jaar en dag te maken met het fenomeen van de gelijktijdigheid: veel wetenschappelijke ontdekkingen of innovaties worden min of meer gelijktijdig door verschillende onderzoekers onafhankelijk van elkaar gedaan - dat maakt toekenning van prioriteit soms arbitrair. Het leidt in elk geval tot verhevigde competitie.

Crisis van het tijdschrift?

Ondanks het feit dat het aantal tijdschriften nog steeds groeit, wordt gesproken over de "crisis" van het wetenschappelijke tijdschrift. Het tijdschrift is traag (de tijd tussen aanbieding van het manuscript en publicatie kan gemakkelijk 2 jaar bedragen). Tijdschriften zijn kostbaar, en bibliotheken kunnen zich de aanschaf ervan vaak niet meer veroorloven. Bovendien ondervindt het tijdschrift concurrentie van publiceren op Internet.

Internet is in 1969 ontstaan. Men ontdekte dat computers, behalve als rekenmachine, ook als communicatiemedium kunnen worden gebruikt. Internet groeide exponentieel, zeker na de introductie van de PC in de jaren tachtig. Een medium dat aanvankelijk uitsluitend voor experts en grote onderzoekscentra toegankelijk was, democratiseerde snel. Nu kan iedere onderzoeker op
zijn website (of in E-archieven) resultaten publiceren. De tijd tussen onderzoek en publicatie minimaliseert. Wat op Internet ontbreekt is echter intellectuele erkenning (credits). Dat is de voornaamste reden waarom het tijdschrift (vooralsnog) blijft bestaan. Het vermoeden is wel dat het tijdschrift zal digitaliseren oftewel dematerialiseren. Internet is een gigantische encyclopedie zonder redactie. De betrouwbaarheid van de informatie vormt een probleem. Ook bedreigt commercialisering van Internet de toegankelijkheid van informatie. Maar internet biedt ook aantrekkelijk voordelen, zoals links in plaats van voetnoten, of links naar bijlagen en databestanden waarvoor in tijdschriften geen ruimte is. Bovendien maakt Internet het mogelijk multimediaal te publiceren.

Actualiteit

Voor hedendaagse wetenschappers is publiceren nog steeds een groot probleem. Wie snel publiceert loopt het risico onbetouwbare informatie te verspreiden en zijn reputatie op het spel te zetten. Wie te lang wacht loopt het risico de competitie met rivaliserende groepen te verliezen. In het kader van het peer review syteem worden artikelen en onderzoeksvoorstellen in de regel door (potentiële) concurrenten beoordeeld. Anonimisering moet dan onpartijdigheid garanderen.
 
 

Casus: Gallo en Montaignier

Robert Gallo (1937 - ) was een succesvolle wetenschapper (viroloog) die in tien jaar tijd 418 papers publiceerde die hem tussen 1981 en 1990 36.789 citaties opleverden. In de jaren tachtig was hij, net als zijn concurrent Luc Montaignier van het Pasteur Instituut te Parijs, op zoek naar het virus dat Aids veroorzaakte. Montagnier slaagde erin een retrovirus bij een Aids-patiënt te isoleren. Hij noemde het virus LAV en stuurde, volgens goed wetenschappelijk gebruik, een sample naar het laboratorium van Gallo. Laatstgenoemde ging aan het werk en isoleerde een virus dat hij HTLV noemde. Hij publiceerde zijn resultaten in 1984 en vroeg patent aan, dat hem in 1985 werd verleend. Montagnier stapte daarop naar de rechter. Uiteindelijk besloten Reagan en Mitterand te interveniëren. Een en ander resulteerde in 1986 in een gentlemen's agreement te Frankfurt. Beide wetenschappers deelden in de eer en het virus werd voortaan HIV genoemd.

Fase 1: voorgeschiedenis

Tijdens WO II worden natuurwetenschappers, wiskundigen en computer wetenschappers in grote getale gemobiliseerd ten behoeve van militaire projecten. Dit resulteert onder meer in de A-bom en in de ontcijfering (door Alan Turing en anderen) van de Duitse Enigma-code. Vannevar Bush was nauw betrokken bij de mobilisatie van wetenschappelijk intellect. In 1945 bepleit hij in zijn artikel As we may think mobilisatie van wetenschappers voor vredesdoeleinden. Een van de problemen waar we mee kampen, aldus Bush, is dat we veel meer kennis produceren dan we kunnen verwerken. Het vermogen om wetenschappelijke kennis te genereren is sinds de 17e eeuw gigantisch toegenomen, maar we hebben niet sneller leren lezen. Specialisatie biedt geen oplossing voor de toenemende onoverzichtelijkheid van kennis. Bibliotheken en archieven zijn op sequentiële wijze geordenend (bijvoorbeeld alfabetisch) maar de menselijke geest functioneert op associatieve wijze. Wanneer we een oplossing zoeken voor een (wetenschappelijk) probleem denken we niet sequentieel. Een bezoek aan een bibliotherek of een archief is dan ook een tijdrovende bezigheid. We zouden onze technologie moeten inzetten om het archiveren en opsporen van informatie te optimaliseren. Daarbij maakt hij gebruik van zijn verbeelding. Hij stelt zich voor dat de wetenschapper van de toekomst zal kunnen beschikken over een systeem, Memex genaamd. Dit bestaat uit een desk-top (toetsenbord) en een scherm, dat toegang geeft tot een gigantische verzameling kennis die op microfilm (in plaats van in boeken en tijdschriften) is opgeslagen. Memex stelt de onderzoekers in staat op associatieve wijze hun weg te zoeken door het archief op microfilm.

In 1957, wanneer de Koude Oorlog (de militaire en wetenschappelijke wedloop met de Sowjet-Unie) op zijn hoogte-, op beter gezegd dieptepunt is, wordt in de V.S. het Defence Advanced Research Projects Agency (DARPA) opgericht, dat grote onderzoeksprojecten ("big science"), onder meer op het gebied van de informatietechnologie moet financieren. Militairen en politici maken zich vooral zorgen over de vraag hoe de V.S., in het geval van een atoomaanval,
een first strike zou kunnen overleven. Hoe kunnen vliegvelden, militaire bases, commandocentra enzovoorts met elkaar blijven communiceren? Dit initiatief zal uiteindelijk tot de ontwikkeling van Internet voerren. In 1965 introduceert Ted Nelson de term "hypertext". Hij fantaseert over "literary machines". In 1968 publiceren Joseph Licklider en Robert Taylor het boek The computer as a communications device. De computer kan niet alleen als super-rekenmachine, maar ook als communicatiemiddel dienst doen. In 1969 worden de megacomputers van vier onderzoekscentra in de VS (UCLA, Stanford, University of Utah, UC Santa Barbara) met elkaar verbonden. Dat is de geboorte van ARPANET. De D is weggevallen. De betrokken wetenschappers nemen afstand van de defensiecontext (we schrijven de jaren zestig, de protesten tegen de Vietnam-oorlog zijn in volle gang). Ze realiseren zich dat ARPANET niet alleen voor militaire, maar ook voor wetenschappelijke doeleinden interessante perspectieven opent. In 1974 wordt de naam INTERNET voor het eerst gebruikt. Dit alles vindt in betrekkelijke stilte plaats. INTERNET is op dat moment alleen voor een kleine groep wetenschappelijke experts interessant.

Tweede Fase

In 1980 breekt de tweede fase in de geschiedenis van Internet aan. In 1981 introduceert IBM een Personal Computer waarvan in een aantal maanden tijd 65.000 exemplaren worden verkocht. Internet wordt in beginsel voor een groot aantal mensen toegankelijk. In 1984 zijn er 1.000 hosts. Het tijdperk van dramatische, exponentiële expansie is begonnen. In 1987 wordt het eerst virus
gesignaleerd. Internet dreigt onoverzichtelijk te worden. In 1990 introduceert Tim Berners-Lee, op dat moment werkzaam bij CERN te Genève, het World Wide Web.

In het boek dat hij onlangs over zijn ontdekking publiceerde ("Weaving the web"), verwijst hij uitdrukkelijk naar Vannevar Bush. WWW maakt het wetenschappers mogelijk snel en efficiënt informatie te verzamelen en te verspreiden. WWW is snel en flexibel en werkt associatief, net als de menselijke geest. WWW heeft, net als Internet, een horizontale structuur. Gebruikers kunnen direct met elkaar communiceren, zonder bemoeienis van bovenaf. WWW is een gigantische encyclopedie zonder redactie. Er is geen censuur en er zijn geen uitsluitingscriteria. De introductie van het WWW vormt de ontknoping van de tweede, anarchistische fase van Internet.

Met enige terughoudendheid zouden we in deze tabel exponentiële groei kunnen ontwaren, met een verdubbelingstijd van 1 jaar. Na 1969 wordt het moment van saturatie spoedig bereikt. Rond 1980 echter evolueert de computer zodanig dat een veel grotere groep gebruikers toegang kan krijgen tot Internet. Door deze technologische ontwikkeling (met name de introductie van de PC) wordt een nieuwe fase van exponentiële groei ingeluid, met een verdubbelingstijd van (opnieuw) 1 jaar.

Derde Fase 

Tijdens de derde fase van Internet zet de exponentiële groei door. Internet vercommercialiseert nu echter in hoog tempo. Het is niet langer een vrijplaats voor wetenschappers en idealisten. Uitgeverijen, die Internet in eerste instantie als een bedreiging beschouwden, zien nu vooral mogelijkheden om via Internet hun positie te verstrken. Er ontwikkelt zich een verticale dimensie die concreet gestalte krijgt in de vorm van portals en gateways, die op overzichtelijke wijze toegang geven tot betrouwbare, geselecteerde sites. Na dit historische overzicht stellen we de vraag opnieuw: Wat is de betekenis van Internet, van electronic publishing", voor wetenschappelijk publiceren?

Het lot van de auteur

Vanaf 1665 groeide het aantal wetenschappelijke tijdschriften exponentieel. Aan het einde van de twintigste eeuw lijkt echter een fase van saturatie in te treden. De groeicurve vlakt af. Het wetenschappelijke tijdschrift heeft te maken, zo lijkt het, met wat de scientometrie aanduidt als een "transition to a steady state".

De functie van de wetenschappelijke auteur heeft in de loop der tijden belangrijke veranderingen ondergaan. Ooit gold de naam van de auteur (bijvoorbeeld: Aristoteles) als een garantie voor betrouwbaarheid. Wie invloed wilde uitoefenen op het intellectuele debat ondertekende zijn manuscript met de naam van een gezaghebbende auteur. Ook ten tijde van de tweede wetenschappelijke revolutie waren auteurs belangrijk. De naam van de auteur werd gebruikt om er een wet, een methode of een constante mee aan te duiden. Anno Nu is de betekenis van de auteur sterk afgenomen. De naam van de auteur lijkt vooral van belang in het kader van retrieval en evaluatie. Het is als het ware een zoekcode. In de achttiende eeuw droegen wetenschappelijke teksten nog duidelijk het stempel van de auteur. Wetenschappelijke teksten bevatten autobiografische details en stilistische eigenaardigheden. Heden ten dage is het wetenschappelijke vertoog echter in hoge mate anoniem. De terminologie is gestandaardiseerd. De compositie (opbouw) van het artikel ligt vast. Bovendien is er in toenemende mate sprake van multiple authorship. Het aantal auteurs per artikel neemt toe. De individuele auteur doet er nauwelijks nog toe, zo lijkt het. De vraag "Wat is een auteur?" is problematisch geworden. Hoewel er in de regel nog altijd sprake is van een "eerste auteur", is het niet altijd duidelijk wat precies de inbreng van de andere "auteurs" in het artikel is. Wanneer is de bijdrage van een contributor zo substantieel dat hij of zij als author mag of moet gelden? Is er niet vaak sprake van gift authorship ? Behoort de laborant of het hoofd van de afdeling (die de middelen acquireerde) tot de auteurs? Wie is aanspreekbaar wanneer het artikel tekortkomingen blijkt te vertonen? Wie gaat met de eer, de credits, strijken: alleen de eerste auteur?

In de loop van de twintigste eeuw is het peer review systeem heel belangrijk geworden. Specialistische artikelen worden door (onpartijdige?) deskundigen beoordeeld, op basis van anonimiteit. Door toenemende specialisatie komt het echter steeds vaker voor dat manuscripten door belanghebbenden of door concurrenten worden beoordeeld. Dit ondermijnt de betrouwbaarheid en onpartijdigheid van het systeem. Bovendien wordt het vaak als tijdrovend,
bureaucratisch en ondoorzichtig ervaren. Daar komt bij dat referees vaak tot de oudere generatie, en de authors tot de jongere generatie wetenschappers behoren. Dit kan tot gevolg hebben dat conformisme wordt beloond, terwijl innovativiteit en creativiteit wordt bestraft. Ook komt het voor dat referenten ideeën stelen uit manuscripten die ze (negatief) beoordelen. Zolang een manuscript niet gepubliceerd is, is het in feite vogelvrij.

Belangrijk is ook dat in de loop van de twintigste eeuw wetenschappers hun zeggenschap over wetenschappelijke tijdschriften in feite zijn kwijtgeraakt aan grote wetenschappelijke uitgeverijen die de wetenschappelijke markt beheersen (Kluwer, Elsevier, enzovoorts). Wetenschapper doen het werk: ze verrichten het onderzoek, schrijven de artikelen, beoordelen ze, voeren de redactie, maar ze hebben de controle over hun output verloren. Universitaire bibliotheken kunnen hun collecties niet meer op peil houden. Het aantal wetenschappelijke publicaties blijft groeien en de prijzen van wetenschappelijke tijdschriften blijven stijgen. Dit leidt tot de crisis van de biobliotheek. Internet (electronic publishing) maakt het wetenschappers mogelijk de produktie van wetenschappelijke kennis weer in eigen hand te nemen, zo lijkt het, buiten de grote uitgeverijen
om.

Electronic publishing lijkt (aldus voorstanders) voor al deze problemen een oplossing te bieden. Wetenschappers kunnen snel en goedkoop hun onderzoeksresultaten distribueren. Lezen en schrijvers kunnen snel en zonder tussenkomst van anderen met elkaar communiceren.

Tijdschrift of website? Voor- en nadelen

Voordelen van het traditionele tijdschrift:

- Er vindt kwaliteitsbeoordeling (methodologische toetsing) plaats. Dit voorkomt dat
wetenschappers (bij voorbeeld uit overwegingen van competitie) onderzoeksresultaten voortijdig publiceren.

- Intellectueel eigendom is, zodra een artikel in een wetenschappelijk tijdschrift verschijnt, gegarandeerd. Plagiaat kan worden bestraft.

- Wetenschappelijke publikaties in tijdschriften "tellen", bijvoorbeeld bij evaluaties van de output van een onderzoeksgroep ("credits").

Nadelen van het tijdschrift:

- Het tijdschrift is kostbaar, bibliotheken verkeren in financiële moeilijkheden en kunnen de abonnementsprijzen niet langer opbrengen.

- Het tijdschrift is traag. Onderzoeksgroepen die zich in een situatie van competitie met rivaliserende groepen bevinden, kunnen zich de tijd die verstrijkt tussen submission en publication vaak niet permitteren.

- Het tijdschrift biedt nauwelijks mogelijkheden voor interactie tussen auteur en lezer. Bovendien is het nauwelijks mogelijk publikaties te herzin, te corrigeren of te up-daten.

Voordelen van electronic publishing:

- Lezers hoeven geen bibliotheek meer te bezoeken maar kunnen, met behulp van trefwoorden en
zoekprogramma's, in korte tijd precies die informatie vinden die ze nodig hebben.

- Permanente communicatie tussen auteurs en lezers is mogelijk.

- Naast het (in de regel zeer compacte) artikel, kan een website toegang geven tot of inzage geven in additionele databestanden, ruwe meetresultaten, methodologische details, bijlagen, reacties, commentaren (complete records, raw materials, etc.)

- Hypertekst (een niet-sequentieel teksttype) maakt het leesproces flexibel.

- Nazorg (aftercare) is mogelijk (updating).

- De auteur, bevrijd van de paternalistische tijdschriftredactie, kan zelf beslissingen nemen inzake opmaak en format, vorm en inhoud van het artikel.

- Meer openheid in het beoordelingsproces (discussie is mogelijk tussen reviewers, tussen reviewers en auteurs, tussen reviewers en lezers, etc.).

Problemen met electronic publishing:

- Betrouwbaarheid. Hoe wordt kwaliteitscontrole georganiseerd? Hoe wordt bedrog en plagiaat voorkomen?

- Overzichtelijkheid. Internet is een bibliotheek zonder redactie.

- Intellectueel eigendom (credits, prioriteit).

- Archivering. Wie garandeert ons dat onze data of die van anderen over enige tijd nog toegankelijk zijn, gelet op het tempo waarmee programma's en formats evolueren?

Voorstanders van publiceren op Internet zijn van mening dat voor al deze problemen oplossingen kunnen worden gevonden, denk aan: endorsements (kwaliteitskeurmerken, afgegeven door wetenschappelijke organisaties), betrouwbaarheid van de aanbieder van informatie (reputatie van
de onderzoeksgroep of het onderzoeksinstituut), e-journals (compleet met peer review), e-print-archives (van xxx.lanl.gov te Los Alamos - beheerd door Paul Ginsparg - tot en met het Open Archives Initiative), enzovoorts.
 

Ethiek van wetenschappelijk publiceren

"The informational revolution affects the production, assessment, distribution and storage of scientific knowledge; blurs the boundaries between communication and publication and challenges the peer review system and other forms of editorial control"

Recentelijk neemt de aandacht voor de morele aspecten van wetenschappelijk publiceren toe. Zoals gezegd publiceerde de KNAW recentelijk een brochure waarin aandacht wordt gevraagd voor de "verleidingen" waaraan (met name jonge) wetenschappers bloot staan:
 


 - De verleiding om resultaten voortijdig te publiceren

 - De verleiding om onwenselijke resultaten te negeren en wenselijke resultaten te benadrukken

 - De verleiding om extreem kritisch te zijn bij het beoordelen van papers of onderzoeksvoorstellen van rivalen

 - De verleiding om methodologische concessies te doen onder tijdsdruk

 - De Verleiding om onderzoeksresultaten meer dan eenmaal te publiceren

 - De verleiding om complexe of problematische uitkomsten te simplificeren (met name in contacten met de media en met opdrachtgevers of ondersteunende instanties)

 

Ook de AAAS (American Association for the Advancement of Science) heeft een inventarisatie gemaakt van kwesties die nadere overdenking behoeven in dit verband:

1. Wat is een publikatie? Op het Internet circuleren vaak meerdere versies van hetzelfde artikel:

- the initially posted version
- the refereed version
- the current, modified (updated) version
2. Standardization of citation practices. Hoe moeten we citeren en verwijzen wanner we gebruik maken van electronische bronnen?

3. Quality control: "peer review" of "exposure to unfiltered comments of readers"?

4. De spanning tussen het belang van "full and open access" enerzijds en het belang van "intellectual property rights" anderzijds. Enerzijds wordt "open access to large databases and collections of scientific observations" nagestreefd. Anderzijds wordt ingezien dat "professional management" van gegevens belangrijk is en dat betekent "recompense for professional
facilitators".

5. Archivering. "There is currently little assurance for authors, publishers and readers that, with the advancement of technology, materials will remain available and readable; long-term preservation of electronic publications is an issue of serious concern".

6. developing countries. Bevordert electronisch publiceren de mondiale tweedeling? Of biedt Internet juist nieuwe kansen?

De AAAS geeft ook een opsomming van vormen van "scientific misconduct" die door het gebruik van Internet zouden kunnen toenemen. Naast vormen van slechts gedrag die altijd al een plaag vormden (zoals gift authorship, redundant publications, selective presentation of data, biased judgements, failure to credit others through citations) gaat het met name om:

- fabrication (wetenschappers verzinnen data)
- fascification (wetenschappers passen data aan hun vraagstelling of hypothese aan)
- plagiarism (wetenschapers kopiëren resultaten van anderen zonder bronvermelding)
3. Onderzoeksethiek: ethische implicaties van scientometrie

Scientometrische analyses beschrijven de condities waaronder wetenschappelijk onderzoek plaatsvindt. Permanente expontentiële groei maakt dat onderzoekers voortdurend op zoek zijn naar informele netwerken en circuits - onderzoekers zijn afhankelijk van elkaar. De Wet van Pareto laat zien hoe belangrijk tijdig publiceren is - Publish or Perish - oftewel: onderzoekers zijn elkaars concurrenten. Deze combinatie van afhankelijkheid en concurrentie maakt de positie van de wetenschappelijk onderzoeker al niet gemakkelijk. Onder deze omstandigheden kunnen gemakkelijk morele problemen en dilemma's ontstaan, waarvoor in recente publikaties veel aandacht wordt geschonken. In de V.S. publiceerde de National Academy of Sciences in 1989 "Responsible conduct of research". Daarin krijgt het begrip good scientific practice een morele inhoud.
Terug naar Introductie