![]() |
|
| FNWI University of Nijmegen Homepage Hub Zwart | 20 mei 2004, e-mail |
Hans Jonas
|
|
Inleiding Tot voor kort was ethiek - zoals dat vak aan de universiteit beoefent werd - fundamentele ethiek. Men hield zich bezig met onderzoek naar de ethische theorieën van grote auteurs (historische ethiek) of met fundamentele ethische vragen, bij voorkeur aan de hand van gedachtenexperimenten (systematische ethiek). Vanaf de jaren zestig echter kregen filosofen belangstelling voor actuele maatschappelijke vraagstukken, niet in de laatste plaats het milieu-vraagstuk. De casuïstiek werd realistisch. Dit had tot gevolg dat er nieuwe subdisciplines in het leven werden geroepen, zoals de gezondheidsethiek en de dierethiek, maar ook de milieu-filosofie of milieu-ethiek. Belangrijke tijdschriften:
Environmental Ethics
Uitgangspunt is de gedachte dat de traditionele ethiek weinig of niets te bieden heeft waar het ethische reflectie op onze omgang met de natuur betreft, omdat de traditionele ethiek antropocentrisch is, in de zin van: uitsluitend op de mens gericht, uitsluitend in de mens geïnteresseerd. Alleen de mens heeft intrinsieke waarde (morele waarde), dieren en ecosystemen daarentegen hebben enkel instumentele waarde, aldus de traditionele ethiek. Uitgangspunt van de milieu-filosofie is dat ook de natuur intrinsieke waarde heeft. We zullen als eerste voorbeeld de milieu-filosofie van Hans Jonas bespreken. Hans Jonas: ethiek als vergelijkende futurologie In 1979 publiceerde Hans Jonas zijn boek Das Prinzip Verantwortung. Versuch einer Ethik für die technologische Zivilisation. De titel verwijst naar het boek Das prinzip Hoffnung van Ernst Bloch waarin gesteld wordt dat het actuele handelen gemotiveerd moet worden door en beoordeeld moet worden vanuit een utopisch ideaal, vanuit het persepctief van de ideale eindtoestand die men wil realiseren. In zijn boek wil Jonas dit utopisme bekritiseren, maar de aandacht voor de toekomst neemt hij over. De technologie, aldus Jonas,
hield ooit de belofte van een betere, meer humane wereld in, maar is nu
zelf een bedreiging geworden. De huidige situatie is historisch gezien
zonder precedent. De huidige situatie tart elke vergelijking met eerdere
ervaringen. Dit betekent dat we niet op de traditionele ethiek kunnen vertrouwen
om de huidige situatie te beoordelen. We hebben dringend behoefte aan een
geheel nieuwe ethiek. Tot nog toe had ethiek vooral oog voor de directe
gevolgen van ons handelen, met name voor andere individuen. Het was een
mensgerichte ethiek van de korte termijn. Inmiddels is de actieradius van
menselijk handelen toegenomen. Onze beslissingen hebben mondiale implicaties
en grote gevolgen, voor alle levensvormen, vooral ook op langere termijn.
Eeuwenlang had menselijk handelen nauwelijks gevolgen voor de natuur, de
ecosfeer. De natuur zorgde als het ware voor zichzelf. Nu zijn we verantwoordelijk
geworden voor de natuur. Dit betekent dat we de aard van deze verantwoordelijkheid
moeten thematiseren. Een naasten-ethiek voldoet niet langer, we hebben
behoefte aan een ethiek die zich rekenschap geeft van de belangen van toekomstige
geraties. De mens is voor de hele natuur verantwoordelijk geworden en dat
is - historisch gezien - een novum. De grens tussen menselijke samenleving
en natuur is weggevallen. We kunnen echter niet volledig op de natuurwetenschap
vertrouwen, want de wetenschap kan ons wel vertellen wat de gevolgen van
ons handelen zullen zijn, maar kan die gevolgen niet moreel beoordelen.
Daartoe hebben we behoefte aan een nieuwe "imperatief", die op drie manieren
geformuleerd kan worden:
Deze imperatief geeft aan dat de milieu-filosofie van Hans Jonas nog altijd antropocentrisch is. De natuur is ethisch van betekenis als milieu, als bestaansvoorwaarde voor de mens. Latere milieu-filosofen proberen aan de natuur zelf intrinsieke waarde toe te kennen. Daarbij krijgen ze echter te maken met een aantal lastige conceptuele problemen die tot dusver nog niet bevredigend zijn opgelost. Milieu-etiek: conceptuele problemen Om te beginnen is de term "antropocentrisme" dubbelzinnig. Wanneer we deze term gebruiken kunnen we bedoelen dat alleen de mens voor ons morele betekenis (intrinsieke waarde) heeft. Dat is als het ware de "sterke" betekenis. In zijn "zwakke" betekenis geeft de term aan dat we, hoezeer we ook bereid zijn om aan de natuur in het algemeen of aan bepaalde dieren, planten of landschappen in het bijzonder, waarde toe te kennen, het menselijke perspectief toch het vertrekpunt blijft van de ethiek, eenvoudigweg omdat wij het zijn die de waarde van de betekenis van de natuur (van dieren, ecosystemen, etc.) inzien of ervaren en in ons handelen verdisconteren. Daar komt bij dat de milieu-ethiek (evenals de dier-ethiek) van meet af aan met een zekere asymmetrie te maken heeft. Zolang ons handelen betrekking heeft op mensen is sprake van een zekere mate van wederkerigheid (reciprociteit). Ik respecteer de rechten of belangen van anderen en ga ervan uit dat anderen op hun beurt ook mijn rechten en belangen in acht zullen nemen. De betrokkenen zullen zelf aangeven wat zij wel of niet toelaatbaar achten, waaraan zij wel of niet hun toestemming geven (bij voorbeeld in het kader van een arbeidsrelatie of van een arts-patiëntrelatie). Wanneer echter een mijnexploitant een krater in een bergrug graaft, zal de berg geen bezwaar aantekenen, geen weerstand bieden, behalve in metaforische zin. Wanneer er bezwaar wordt gemaakt, dan komen die bezwaren van de kant van mensen (wandelaars, ecologen, natuurbeschermers, etc.). Zij zullen zich op estetische, ecologische of andere argumenten beroepen. Dat wil zeggen op overwegingen die voor mensen tellen. Omgekeerd, wanneer een orkaan zware schade aanricht, kunnen we hem niet ter verantwoording roepen (tenzij we animistisch zijn). Een ander probleem (dat hiermee
nauw samenhangt) is dit: wanneer we zeggen dat een bepaald gebied (bijvoorbeeld
een bepaald berglandschap) intrinsieke waarde heeft, is dat oordeel dan
objectief of subjectief? Anders gezegd: wordt die waarde door ons ontdekt
(dringt die waarde zich aan ons op), of veeleer aan het landschap toegekend?
Deze vraag bevindt zich op de grens van epistemologie en ethiek. Indien
het laatste het geval is, stelt zich de vraag wie de bevoegdheid heeft
om uit te maken of en in hoeverre een bepaald gebied (ecosysteem) intrinsieke
waarde heeft. De overheid? De direct betrokkenen? De ecologen als beroepsgroep?
De ethici? Of moeten we veeleer een "democratisering van het landschap"
nastreven (via opiniepeilingen en of politieke besluitvorming). Aan dit
soort vragen is de milieu-filosofie gewijd.
|
||||||||||