FNWI University of Nijmegen    Homepage Hub Zwart 6 februari 2003, e-mail
 

 
 Education / Onderwijs
prof. dr Hub Zwart KUN FNWI
Filosofie 1
Inleiding in de Filosofie en de Ethiek
Voor Studenten Biologie en Milieu-wetenschappen
Tweede bijeenkomst (4 februari)
Experimenteel onderzoek met dieren 1:
De geschiedenis van het proefdier

1. Inleiding

Elke dierproef heeft de vorm van een basale vraag: Wat  gebeurt er als? Wat gebeurt er als een bepaalde verandering of verstoring wordt aangebracht in de omgeving van het proefdier of in het proefdier zelf? Anders gezegd: aan observatie gaat manipulatie vooraf. Onderzoekers gebruiken niet alleen hun ogen, maar ook hun handen. Zij interveniëren (op het niveau van de onafhankelijke variabele) om vervolgens de effecten van hun interventie (op het niveau van de afhankelijke variabele) te registreren. We zullen eerst de geschiedenis van het proefdieronderzoek bespreken aan de hand van een aantal highlights. Na de pauze gaan we in op de actuele situatie. De nadruk ligt daarbij steeds op de morele reacties die door dierexperimenten (bij onderzoekers zelf of bij de buitenwacht) worden opgeroepen.
 

2. Geschiedenis: toenemende aandacht voor proefdierwelzijn

In de 17e eeuw wordt een begin gemaakt met anatomisch onderzoek van dieren, onder meer door de filosoof Descartes (1596-1650). Hij ontdekt dat het dier een machine is, opgebouwd uit een skelet, een spierstelsel (de werking van spieren was zijns inziens vergelijkbaar met de werking van mechanische veren), een hydraulisch systeem (de bloedsomloop), etc. Deze opvatting (het dier is een machine) betrof echter het dode dier. Anatomisch onderzoek leverde geen betrouwbaar inzicht in het functioneren van het dier als levend organisme op. Onderzoek bij levende dieren maakte duidelijk, dat dieren in belangrijke opzichten van (zeventiende-eeuwse) machines verschilden. Daartoe was echter een nieuw type wetenschappelijk onderzoek bij dieren nodig, namelijk "anatomie bij levende dieren" (anatomia animata) oftewel vivisectie.

Een van de eerste onderzoekers die zich hiermee bezighield was William Harvey (1578 - 1657), die bloedbanen afbond bij levende dieren (kikkers, slangen) en op die manier ontdekte dat bloed maar één kant op stroomt - een belangrijke stap op weg naar de ontdekking van de bloedsomloop. Het onderzoek riep negatieve reacties op, maar niet omdat er dieren bij betrokken waren. Dat was destijds nog geen reden voor morele bezorgdheid.

Dit veranderde in de 18e eeuw, de eeuw van de rationaliteit, maar ook van het sentiment. Onderzoekers zelf kregen mededogen met proefdieren en last van morele scrupules. Een goed voorbeeld hiervan is Albrecht von Haller (1707-1777), de belangrijkste fysioloog van zijn tijd. Hij verrichtte fysiologisch onderzoek in vivo (vivisectie) naar "irritabiliteit". Hij ontdekte dat de functie van spierweefsel niet puur mechanisch kan worden verklaard, maar dat spiervezels (in tegenstelling tot metalen veren) uit zichzelf de neiging hebben om te contraheren. Dat wil zeggen, irritabiliteit (prikkelbaarheid) is een intrinsieke eigenschap van spierweefsel. Dat vormde een belangrijke correctie op het mechanicisme van Descartes. Von Haller was een van de meest vooraanstaande en productieve wetenschappers van zijn tijd, maar werd tegelijkertijd geplaagd door morele scrupules. Onderzoek met dieren was in die tijd dan ook weinig verfijnd. Het ongerief voor de betrokken proefdieren was aanzienlijk. En Haller was een gevoelsmens. Al in zijn jeugd was hij als dichter actief geweest. Uiteindelijk besluit hij zijn vivisectieonderzoek te staken en zich alleen nog maar met literatuur en theologie bezig te houden.

De filosoof Kant (1724 - 1804) ontwikkelde in diezelfde periode een antropocentrische ethiek. De mens heeft intrinsieke waarde, dieren hebben slechts instrumentele waarde. Dit betekent niet dat alles geoorloofd is. De mens is het aan zichzelf als redelijk en moreel wezen verplicht om op een verantwoordelijke wijze met proefdieren om te gaan. Het zinloos kwellen van dieren is mensonwaardig. Experimenteren met dieren mag, aldus Kant (1959), maar "Fiat exprimentum in corpore vili", oftewel: vervang hogere door lagere dieren als dat mogelijk is. Dit is later een belangrijk beginsel van de proefdierethiek geworden, een van de zogeheten "drie V's", waarover zo dadelijk meer. 

Naast "vervangen" is "verfijnen" een belangrijk principe. De geschiedenis van het proefdieronderzoek is in feite de geschiedenis van toenemende verfijning van de onderzoekstechniek. Dit wordt duidelijk wanneer we "vivisectie" met latere onderzoeksmethoden vergelijken. Volgens de vader van de vivisectie Claude Bernard, die halverwege de negentiende eeuw in Parijs actief was, kon betrouwbare fysiologische kennis kan alleen door middel van onderzoek bij levende dieren worden verkregen. Wetenschappers hebben onverkort het recht dieren voor onderzoek te gebruiken. Het is immoreel patiënten aan behandelingen te onderwerpen die niet eerst op dieren zijn uitgetest. Claude Bernard, die vivisectie in klassieke vorm bedreef, omschreef zijn (in onze ogen primitieve) werkwijze als expérimenter par destruction. Hij verwijderde organen, sneed zenuwen door en introduceerde toxische stoffen bij levende dieren (met name honden en konijnen) om de gevolgen hiervan te observeren. Hij ging ervan uit dat dieren machines zijn die geen bewustzijn hebben en geen pijn kunnen lijden, en die men stapsgewijze moet demonteren om te zien hoe het mechanisme werkt. De ware wetenschapper, aldus Bernard, is volstrekt ongevoelig voor dierenleed en beschouwt publieke discussies over vivisectie (die destijds met name in Engeland gevoerd werden) als absurd. Het publiek mag wel toegang krijgen tot de “salon” van de wetenschap, om van de resultaten van wetenschappelijk onderzoek kennis te nemen, maar mag geen blik werpen in de “keuken” waar het onderzoek daadwerkelijk wordt verricht. Deze extreme visie werd niet door iedereen gedeeld. De filosoof Comte bijvoorbeeld verwierp vivisectie zowel op morele als op methodologische gronden. Vivisectie is niet alleen wreed, maar verstoort bovendien de normale toestand van het dier en de normale interactie met de omgeving.

Vergelijkbare argumenten werden ook door onderzoekers aangevoerd. Duitsland was, evenals Engeland, een diervriendelijk land. De Duitse fysiologie maakte in de negentiende eeuw echter een periode van grote bloei door. Vivisectie was daarbij onontbeerlijk. Dit bracht Duitse onderzoekers in een lastig pakket. Terwijl Johan Conrad Brunner baanbrekend onderzoek verrichtte als fysioloog door bijvoorbeeld de alvleesklier bij levende honden te verwijderen, was Carl Asmund Rudoplphi fel tegen deze in zijn ogen barbaarse praktijken gekant. De belangrijkste Duitse fysioloog van zijn tijd, Johannes Peter Müller, besloot hogere dieren (zoals honden) zoveel mogelijk door lagere dieren (zoals kikkers) te vervangen en gebruik te maken van pijnstillende en verdovende middelen zoals curare. Hij besefte echter dat fysiologie zonder vivisectie niet mogelijk is, raakte depressief en pleegde uiteindelijk suïcide.

Volgens Ivan Pavlov vormt een dier dat in ernstige mate onderhevig is aan pijn of stress geen betrouwbaar onderzoeksmodel. Bovendien is het voor fysiologisch onderzoek vaak van belang om dieren gedurende langere tijd te observeren. De gezondheid en het welzijn van proefdieren dient dan zoveel mogelijk intact blijven. Ook het gebruik van pijnstillende en verdovende middelen vermindert de betrouwbaarheid van het proefdier als "meetinstrument". Pavlov is een vertegenwoordiger van een nieuwe wetenschappelijke dierpraktijk, waarbij aandacht voor het welzijn van proefdieren een integraal onderdeel vormt van het onderzoek. Fysiologisch onderzoek vereist dat het proefdier gezond is en in goede conditie verkeert. In zijn verslaglegging schenkt Pavlov veel aandacht aan ongerief en welzijn van zijn proefdieren (met name honden) en in publikaties worden ze voor hun medewerking bedankt. Het proefdier is niet langer slechts object van onderzoek, het is een partner geworden.

Iets dergelijks geldt ook voor Eugen Steinach, die rond 1900 met ratten experimenteerde om de gevolgen van verwijdering en reïmplantatie van geslachtsorganen te onderzoeken. Hij hoopte dat het publiek door zijn onderzoek meer waardering zou krijgen voor de rat en dat de bestaande vooroordelen tegen dit dier zouden worden wegnomen. Hij benadrukte bovendien dat zijn onderzoekpraktijk nog maar weinig gemeen had met vivisectie in traditionele zin en hij wees op het belang van factoren die het welzijn van proefdieren beïnvloeden (zoals hygiëne, aandacht voor dag- en nachtritme, lichtsterkte, temperatuur, etc.).

 Terwijl Claude Bernards pro-vivisectionistische ethiek maximaal conflicteerde met de standpunten en argumenten van tegenstanders van vivisectie, was bij Pavlov, Steinach en anderen spraken van een zekere mate van convergentie. Onderzoekers en tegenstanders dachten in dezelfde richting, ze bekommerden zich om proefdierwelzijn. Het inzicht groeide dat proefdierwelzijn  zowel om ethische als om methodologische redenen van belang is en dat pijn en ongerief zowel moreel als methodologisch problematisch zijn. Ernstige beschadigingen ondermijnen de betrouwbaarheid van het proefdier als model. Onderzoeksresultaten boeten in aan validiteit wanneer ze worden verkregen bij dieren die door pijn, stress, pathologie, uitputting of anderszins in fysiologisch opzicht sterk van hun normale soortgenoten afwijken. Zoals gezegd functioneert het proefdier in de context van een experiment als een kwetsbaar meetinstrument - en daar moeten onderzoekers zorgvuldig mee omgaan.
 

3. Standaardisatie

Deze toegenomen zorg en aandacht voor het proefdier manifesteren zich in de loop van de 20e eeuw nog op een andere wijze. Aanvankelijk waren onderzoekers zelf verantwoordelijk voor het verwerven, selecteren, fokken, houden en verzorgen van hun proefdieren. Vivisectionisten zoals Bernard maakten bijvoorbeeld vaak gebruik van zwerfhonden. Ook op dit niveau trad echter verfijning op en werden gaandeweg steeds hogere eisen gesteld aan de kwaliteit van het proefdier en aan de vergelijkbaarheid en reproduceerbaarheid van onderzoeksgegevens. Er wordt een nieuw moment in het proefdieronderzoek geïntroduceerd, namelijk standaardisatie: het werken met uniforme proefdieren waarvan de eigenschappen bekend en goed gedocumenteerd zijn. Waar Steinach nog suggereert dat de vermaledijde rat van de ene dag op de andere in een perfect proefdier veranderde, was de transformatie van wilde rat tot modeldier in feite een arbeidsintensief en tijdrovend proces.

Deze ontwikkeling resulteerde uiteindelijk in de grootschalige produktie van de Wistar Rat als een standaarddier dat door duizenden onderzoekers werd (en wordt) gebruikt en waarvan de eigenschappen exact bekend waren. In een handleiding voor het gebruik van deze rat uit 1923 wordt al de nodige aandacht geschonken aan “the animals’ comfort and their feelings” (p. 347). Ook bij andere proefdieren treedt standaardisatie (door middel van selectie en inteelt) op. Zorg voor het welzijn van het proefdier wordt een integraal onderdeel van het proefdieronderzoek.

Vervolg: Proefdierethiek (actualiteit)
               Return to Index